Totaal aantal pageviews

maandag 27 april 2015

Nederlands passagiersschip Willem Ruys beoogd oorlogsschip voor handelsoorlog in de Pacific

Op woensdag 27 april 2015 wordt de gemeente Vlissingen De Willem Ruysstraat rijker. Het passagiersschip Willem Ruys is vermoedelijk het bekendste schip ooit gebouwd door de Kon.Mij. De Schelde. Het werd vernoemd naar Willem Ruys (1894-1942), directeur van de Koninklijke Rotterdamsche Lloyd en voor welke rederij het schip ook werd gebouwd. Op stapel gezet op 25 januari 1939 overleefde het schip op miraculeuze wijze de tweede Wereldoorlog wat bijdroeg aan de mythevorming rondom haar. Zo zou zij nadat de stad bevrijd was zelfs de drinkwatervoorziening voor de Vlissingse bevolking hebben verzorgd. Na de oorlog afgebouwd -op 1 juli 1946 te water gelaten - zou het schip een alles behalve saaie loopbaan hebben. De Willem Ruys deed dienst op de lijn Nederland-Nederlands Indië het latere Indonesië. Na 1958 werd zij ingrijpend verbouwd en tenslotte in 1964 aan de Italiaanse rederij Lauro Line verkocht die haar Achille Lauro herdoopte en inzette als cruiseschip. In 1985 haalde het schip het wereldnieuws toen zij door leden van het Front voor de Bevrijding van Palestina werd gekaapt. In 1993 passeerde zij Vlissingen op weg naar Antwerpen. Het was de laatste keer dat men in de stad waar zij gebouwd werd haar kon zien. Op 2 december 1994 zonk zij voor de Somalische kust nadat op 30 november een brand was uitgebroken. Wat de meeste mensen echter niet zullen weten is dat de Willem Ruys ooit bestemd was om als oorlogsschip dienst te doen.

Fotocollectie Gemeentearchief Vlissingen FA13122. Gedateerd 1941

In tegenstelling tot andere maritieme landen maakte Nederland geen gebruik van hulpkruisers op één uitzondering na. Hulpkruisers waren (zwaar) bewapende koopvaardijschepen die werden gebruikt voor het beschermen van konvooien of het vernietigen van vijandelijke koopvaardijschepen. Toevallig was ook dat een schip voor de Koninklijke Rotterdamsche Lloyd door de Kon.Mij. De Schelde gebouwd, namelijk de Tabanan. Aan het eind van de Eerste Wereldoorlog besloot Nederland een konvooi te zenden naar het Nederlands-Indië. Bij gebrek aan voldoende oorlogsschepen werd de Tabanan gehuurd en voorzien van enkele kanons. Zij was en is tot nog toe de eerste en laatste Nederlandse hulpkruiser. Het konvooi ging uiteindelijk op weg nadat Engeland schoorvoetend hiermee had ingestemd.
De Tabanan (RvM)
Afgezien van het aangaan van contracten met sleepbootrederijen nam Nederland na de Eerste Wereldoorlog geen maatregelen om in geval van oorlog over voldoende drijvend materiaal voor bijvoorbeeld bewaking- en communicatiedoeleinden te beschikken. Dat veranderde in de jaren dertig toen de Amsterdamse rederij Stoomvaart Maatschappij Nederland (SMN) een snel mailschip wilde bouwen die geschikt zou zijn als hulpkruiser. De Koninklijke Marine werd benaderd of deze mening werd gedeeld en of men geneigd was financieel bij te dragen in de te treffen voorzieningen als fundaties. De marine stond hier niet afwijzend tegenover en naar goed Nederlands gebruik werd een commissie ingesteld. In een beleidsstuk kwam duidelijk naar voren dat bij een oorlog in de Pacific, waarbij Nederland niet bedreigd werd, de regering direct opdracht zou geven tot het voeren van een handelsoorlog. Hiervoor waren minimaal vier hulpkruisers nodig, een voor de westkust van Noord- en 1 voor de westkust van Zuid-Amerika, 1 in de Australische wateren en 1 in de Indische Oceaan. Omdat de hiervoor in aanmerking komende schepen zich over de gehele wereld bevonden, was een reserve van minimaal vier schepen noodzakelijk. Met andere woorden men kon beschikken over acht schepen voorzien van kanonfundaties. Met name de Willem Ruys en de Oranje behoorden tot de schepen die men persé in zee wilde brengen. De achterliggende gedachte bij het voeren van een handelsoorlog was dat een potentiële tegenstander -met name dacht men aan Japan- gedwongen werd meer oorlogsschepen te gaan inzetten voor escort taken. Hierdoor zouden minder oorlogsschepen beschikbaar zijn voor een invasie in Nederlands-Indië.

Men kende A en B klasse hulpkruisers. De Willem Ruys behoorde net als haar grote concurrent Oranje van de SMN tot de A-klasse. Beide schepen zouden worden bewapend met 4x2-12cm kanons en 2x2-4cm anti luchtdoel mitrailleurs. Helaas beschikte de Koninklijke Marine niet over een geschutsreserve en moesten opdrachten aan buitenlandse firma‘s worden gegeven voor de levering. De eerste 12cm kanons zouden echter pas op 1 juni 1941 kunnen worden geleverd, alleen toen was Nederlands al een jaar bezet.

Van zowel de Willem Ruys als de Oranje bestond de bemanning als hulpkruiser uit 1 hoofdofficier, 22 dek-, administratie en gezondheidsofficieren, 36 officieren machinekamer en monteurs, 7 dekonderofficieren, schrijvers, hofmeesters etc. 13 onderofficieren machinekamer, koks, botteliers, konstabels etc., 16 kwartiermeesters, schrijvers, hofmeesters etc., 4 korporaal machinisten, kok, botteliers, konstabels etc. 300 matrozen, schrijvers. Hofmeesters, telegrafisten etc., 64 stokers, koks, botteliers etc., 1 onderofficier der mariniers en 22 mariniers. De benodigde onderofficieren voor het geschut en de kanonniers zouden in principe moeten geleverd vanuit de mijnenleggers in Nederland.

Impressie van de Willem Ruys uitgerust als hulpkruiser, tekening Ron van Maanen
Het is niet bekend in welke mate haar tuigplan zou worden gehandhaafd

De Willem Ruys werd dus nooit in dienst gesteld als hulpkruiser. Maar stel dat dat wel was gebeurd. Misschien was het dan heel anders afgelopen met haar. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben zowel de Geallieerden als de As-mogendheden gebruik gemaakt van hulpkruisers. Met name Duitsland zette de hulpkruiser in voor het aanvallen en vernietigen van de geallieerde koopvaardij. Engeland daarentegen maakte gebruik van hulpkruisers om konvooien te beschermen bij gebrek aan voldoende echte oorlogsschepen. Een zo’n hulpkruiser was de HMS Jervis Bay. Dit in 1922 gebouwde passagiersschip bewapend met 7-15cm kanons and 2-7,62cm kanons deed sinds 24 augustus 1939 dienst als hulpkruiser en beschermde in november 1940 een konvooi op de Atlantische Oceaan. Onderweg werd het konvooi aangevallen door het Duitse vestzakslagship Admiral Scheer. De kapitein van de Jervis Bay viel het Duitse oorlogsschip aan om zo zijn konvooi de gelegenheid te bieden om aan de vijand te ontsnappen. Na één eenzijdig gevecht tegen een veel sterkere tegenstander ging de Jervis Bay ten onder. Van haar bemanning overleefden slechts 68 man van de 254 het. Het konvooi wist grotendeels te ontsnappen. Stel dat de Willem Ruys afgebouwd en bewapend tijdig Nederland had kunnen verlaten en dat zij ingezet was voor de bescherming van konvooien? Zij was een slag groter dan de Jervis Bay en veel sneller. Misschien had zij dan het gevecht geleverd met het Duitse oorlogsschip of was zij in de Indische wateren actief geweest en had zelf het ene na het andere Japanse koopvaardijschip in de grond geboord? Dat alles is zoals we weten niet gebeurd.

Archief Kon.Mij. De Schelde toegang 533.5455

Bestaat er wel bewijs of men ooit plannen had om de Willem Ruys uit te rusten als hulpkruiser. Ja is het antwoord. Zo bevat het archief van de Marinestaf 1886-1942 (Nationaal Archief, ‘s-Gravenhage) diverse documenten over dit onderwerp. Dichter bij huis is ook wat bewaard. Bij het voorbereiden van het tekeningenproject van de Kon.Mij. De Schelde zijn wij op zoek gegaan of er wellicht nog iets bewaard was gebleven in het ‘Schelde’-archief. Wij kwamen verwijzingen tegen dat er tekeningen waren geweest, maar deze zouden zijn overgedragen aan de Koninklijke Marine. Tot dan toe had niemand dergelijke tekeningen (meer) gezien. Uiteindelijk zijn toch een paar tekeningen boven water gekomen. Zo weten we dat het anti luchtdoelgeschut geplaatst werd tussen beide schoorstenen. De 12 cm kanons waren verdeeld over vier dubbelloops geschuttorens, twee op het voorschip en twee op het achterschip.

zaterdag 18 april 2015

Japanse oorlogsschepen bezochten Vlissingen in 1907

32787/FA25923 (GA Vlissingen)

We hebben maar één kleine foto van een bezoek door de Japanse marine in Vlissingen in 1907. Niet opzienbarend is de eerste gedachte tenzij je het verhaal achter die foto weet. Als we dieper de geschiedenis induiken, dan zien we dat dankzij de Verenigde Oost-Indische Compagnie Nederland en Japan een relatie hebben die zich over eeuwen uitstrekt. Sterker nog, Nederlandse kooplieden waren vanaf 1641 de enige West-Europeanen met een vaste verblijf- en woonplaats in het Japanse rijk, namelijk op het eiland Decima. Japan sloot zich van de buitenwereld af tot in 1853 een Amerikaanse oorlogsvloot Japan dwong haar havens open te stellen voor de buitenwereld en dus niet alleen voor Nederland. In een rap tempo begon de modernisering van Japan. Nederland speelde hierbij een niet onder te schatten rol en hielp bijvoorbeeld bij de opbouw van de Japanse marine. Tegelijkertijd begon de invloed van Japan in Zuid-Oost Azië toe te nemen. Dit leidde tot een oorlog met het Chinese keizerrijk waarbij de moderne Chinese vloot verpletterend werd verslagen door de Japanse. Dit was een teken aan de wand voor de toekomst. Tussen 1904 en 1905 waren de Russische en Japanse keizerrijken in oorlog waarbij Rusland vernietigend werd verslagen. Plots waren de ogen van het Westen gericht op Japan. Immers niemand had verwacht dat een Aziatisch land een gevestigde Europese macht kon verslaan. Ook in Nederland reageerde men ongerust. Tijdens de uitbraak van de Russisch-Japanse oorlog (8 februari 1904 and 5 september 1905) was al duidelijk geworden dat de Nederlandse marine niet opgewassen was tegen Rusland noch Japan terwijl Nederland op dat moment nog Nederlands-Indië [het huidige Indonesië] met rijke grondstoffen bezat. (1)

De Asagiri, Umigiri en Kashima op het IJ, Amsterdam juli 2008 (foto RvM)

Japan besloot na 1905 tot een ‘vriendschapsoffensief’ en zond hiertoe een paar oorlogsschepen die onder meer de Verenigde Staten, Engeland maar ook Nederland, met name Vlissingen bezochten. In 2008 gebeurde dat opnieuw toen drie Japanse oorlogsschepen Amsterdam bezochten in het kader van 400 jaar handelsbetrekkingen. Terug naar 1907. Opvallend is dat alle met name genoemde officieren hun loopbaan afsloten in de rang van (vice) admiraal.

In de lokale kranten werd aandacht besteed aan het bezoek in 1907. Opvallend is de spraakverwarring over de diverse tijdstippen c.q. data. De Vlissingse Courant van 4 juli meldde dat op vermoedelijk de 7e de twee Japanse oorlogsschepen Tsukuba (2) en Chitose (3) Vlissingen zouden aandoen voor een bezoek van enkele dagen. (4)

De editie van Dinsdag 9 juli meldt een aankomst op maandagmorgen van de schepen komende van Oostende, België. ‘s Avonds vertrokken enkele Japanse vlag- en hoofdofficieren met de trein van 18.55 naar paleis het Loo voor een ontvangst door Hr.Ms. Koningin Wilhelmina. Ondertussen wemelde het in de stad Vlissingen van Japanse matrozen die bijna alle winkels bezochten. Het kopen bleef echter bij de verwachtingen achterwege omdat slechts een enkeling onder hen wat gebroken Engels sprak en omdat de tegenwaarde van de Japanse munt onbekend was. Volgens de krant was de waarde van de yen (onderverdeeld in 100 sen) ongeveer gelijk aan twee Nederlandse guldens. Bij een onderzoek bleek dat de plaatselijke kassiers ƒ 1,20 gaven voor een gouden yen en voor een zilveren yen ƒ 1.

Een dag later (editie Woensdag 10e) luidde het dat de Japanse vlootvoogd en zijn officieren waren uitgenodigd om op de 9e het diner op pales Het Loo te gebruiken. Hierbij waren verder aanwezig de Japanse gezant Aimaro Sato (5), schout-bij-nacht Havao Shimamura (6), president van de marineacademie te Etajima, de Nederlandse minister van marine Cohen Stuart (7), schout-bij-nacht Römer (8), directeur en commandant van de marine te Hellevoetsluis en luitenant ter zee 1se klas K.F. Sluys (9) tijdelijk toegewezen aan de Japanse delegatie. Op de 9e arriveerde men om 5.00 [17.00] uur op het station Apeldoorn waar men opgehaald werd met koetsen voor het diner met de koningin en haar prins-gemaal. Huzaren uit Deventer verzorgden de bijpassende muziek. Met de trein van 8.14 [20.14] uur keerde men terug. landelijke bladen als het Algemeen Handelsblad maar ook de De Nieuwe Tilburgsche Courant vermeldt dat de koningin op maandag werd bezocht. Om 16.56 kwam het gezelschap op het station daar aan om om 18.12 weer te vertrekken.

Op de 10e werd een lunch aangeboden door de Japanse gezant waarvoor ook de ministers van buitenlandse zaken en de marine waren uitgenodigd. De Japanse vlootvoogd wilde op Woensdag 9de (10e dus) de Rotterdamse Waterweg en de haven bezoeken.

De Tsukuba, tekening Ron van Maanen

In de editie van Donderdag 11 juli staat een uitgebreid stuk over het bezoek afgelegd door de Japanse ‘koolzwarte’ schepen Het stuk werd geschreven door een journalist [N.v.N.] die per trein was afgereisd naar Vlissingen en op Zondagmorgen [de 7e!] net op tijd arriveerde om de Japanners te zien aankomen. De opmerking die hij maakte over de Japanse vlag was niet gepast. Volgens hem ‘door ‘een Zeeuwsch boerinnetje als een “roode spin op een witten doek gekwalificeerd.” Het waren de modernste schepen die Japan bezat en bemand door meer dan 1.200 ervaren zeelieden met oorlogservaring uit ‘den jongsten oorlog’[die met Rusland dus]. Hun eerste bezoek was aan Hampton Roads, Verenigde Staten waar zij deelnamen aan de vlootrevue tijdens de viering van het 350-jarig bestaan van de kolonie Jamestown. Vandaar voer men door naar Engeland, naar Kiel, Duitsland voor de Kielerwoche, waar de Duitse keizer de Tsukuba bezocht, Oostende in België en toen naar Vlissingen. Maar dan maakt de journalist een intrigerende opmerking. Vlissingen gelegen aan de Schelde was ondanks haar strategische ligging en de aanwezigheid van een grote scheepswerf (Kon.Mij. De Schelde) niet beschermd door landbatterijen en er was geen enkel Nederlandse oorlogsschip aanwezig. Dit laatste is bevreemdend omdat tijdens de oorlog tussen Rusland en Japan juist weer een zwaarder oorlogsschip [de rammonitor Hr.Ms. Reinier Claeszen] in Vlissingen was gestationeerd en niet volstaan werd met alleen een oude stoomkanonneerboot. Nu was blijkbaar zelfs het wachtschip afwezig.(10) Hoe het ook zij beide Japanse schepen ankerden circa-23 mijl uit de kust en de Nederlandse schout-bij-nacht Römer (11) met zijn adjudant C. Fock voeren per stoomsloep naar het vlaggenschip Tsukuba voor een verwelkoming namens de Nederlandse minister van marine.

Commandant van de Tsukuba was kapitein ter zee Takenouchi [Takenouchi Heitaro] (12). De Chitose, die volgens de journalist vergelijkbaar was met een van onze eigen pantserschepen, werd gecommandeerd door kapitein ter zee Yamay [Tanin Yamya ] (13). Dit laatste schip had actief aan de oorlog tegen Rusland deelgenomen en had onder meer het Russische oorlogsschip Novik zwaar beschadigd.

Eigenlijk is het gehele artikel behoorlijk chauvinistisch en verre van neutraal geschreven. Dat valt ook op wanneer de Japanse matrozen werden beschreven. Hun kleding was vergelijkbaar met die van de Nederlandse matrozen, afgezien van de mutslinten versierd met ankers. Hij vervolgt met ‘Al lijken ze ook kleiner en zwakker dan onze Zeeuwen, toch ziet men duidelijk, dat deze kleine, gele mannetjes kracht en taaiheid bezitten.’ Geen woord over dat deze Japanse matrozen een paar jaar eerder het onmogelijk geachte hadden gerealiseerd, namelijk een van de Europese grote mogendheden verslaan. Wel viel het hem op dat Japanse en Nederlandse matrozen al direct met elkaar contact zochten in een voor hem onbegrijpelijke mengelmoes van Engels, Japans en Nederlands. Dit staat bekend als een Pidgin taal, bijvoorbeeld Pidgin-Engels. Het komen en gaan van stoomsloepen van de Japanse schepen naar de wal en terug werd door een steeds groter worden publiek gadeslagen. Langs de gehele boulevard flaneerden belangstellenden die zich ook verzamelden bij het standbeeld van de De Ruyter. Vanuit Antwerpen kwamen zelfs drie boten afgevaren met aan boord belangstellenden.

Die middag verliet om 16.15 de Japanse vice admiraal Ijuin (14) zijn schip vergezeld door chef staf kapitein luitenant Isam[u] Takeshita (15), aide-de-camp Yamamoto (16) en kapitein Takenonchi [Takenouchi Heitaro] . Zij werden vergezeld door de Nederlandse luitenant ter zee 1e klasse K.F. Sluys die hun toegewezen was. De bedoeling was Römer een tegenbezoek te brengen die zich op dat moment in hotel Zeeland bevond. Ijuin was tijdens de oorlog met Rusland souschef van de marinestaf en was deels opgeleid in Engeland waardoor hij vloeiend Engels sprak. Blijkbaar was Vlissingen geen onbekend terrein voor hem want in het artikel staat dat hij vijf jaar eerder ook al Vlissingen met twee oorlogsschepen had aangedaan. Na het bezoek aan de Nederlandse schout-bij-nacht reisde de Admiraal door naar Den Haag vergezeld door de Japanse afgezant Sato. Dat bezoek aan Den Haag wordt ook vermeld in de editie van de 10e, alleen het blijft onduidelijk of dat nu plaatsvond op de 8e of op de 9e.

De editie van de Zaterdag 13e meldde dat de Tskuba in de morgen van de 12e vertrok naar Portsmouth, gevolgd door de Chitose in de avond, Het vertrek van de laatste was vertraagd doordat men een verloren anker moest opvissen.

Noten
1. Ondanks dat de politici zowel in Nederland als in Nederlands-Indië beseften dat de Koninklijke Marine niet over de middelen beschikte een invasie te verhinderen, werden niet de financiën beschikbaar aangesteld voor de aanbouw van grote, zwaar bewapende schepen.Toen het benodigde budget wel beschikbaar kwam, verhinderde het uitbreken van de Eerste respectievelijk Tweede Wereldoorlog de daadwerkelijke aanbouw van slagschepen en of- kruisers. Zie ook http://warshipsresearch.blogspot.nl/2011/11/russian-and-japanese-navies-and.html voor de Koninklijke Marine in de Oost in 1904-1905 en voor de aanbouw van slagschepen het artikel “Een Zeeuwse dreadnought 1912-1914?”, Den Spiegel, nr. 2014-1, p. 14-19
2. Gepantserde kruiser, later aangeduid als slagkruiser. Gebouwd op de Kure marinewerf in Japan tussen 1905-1907, op 14 januari 1917 in de lucht gevlogen met het verlies van 305 mensenlevens. Zij had een waterverplaatsing van 16.500 ton en de afmetingen van 137,11 x 22,80 x 7,95 meters. De bewapening bestond uit 4-30,5cm kanons, 12-15,2cm kanons, 12-12cm kanons, 4-3pd snelvuurkanons en 3-45cm torpedobuizen. Haar bemanning telde 879 koppen. Ter vergelijking, het nieuwste Nederlandse pantserschip was de Hertog Hendrik gebouwd in 1901-1904 met een waterverplaatsing van 5.002 ton en als afmetingen 96,62 x 15,18 meters, een bemanning van 340 koppen en een bewapening van 2-24cm, 4-15cm kanons, 8-7,5cm kanons en 3-45cm torpedobuizen. Een schril contrast. Overigens lag de Hertog Hendrik ten tijde van de Russisch-Japanse oorlog in Nederlands Oost-Indië ter bescherming van onze neutraliteit. De in Vlissingen gebouwde Noord-Brabant lag daar toen ook!
3. Ook de Chitose was een gepantserde kruiser zij het van geringere afmetingen. Zij werd gebouwd bij Union Iron Works, San Francisco tussen 1897-1898 en werd uiteindelijk door de Japanse marine afgezonken in 1931. Met een waterverplaatsing van 4.760 ton en de afmetingen van 115,3 x 15,1 x 5,41 meter was zij zoals een journalist opmerkte meer vergelijkbaar met het beste wat de Koninklijke Marine kon bieden. Haar bemanning telde 405 koppen. De bewapening bestond uit 2-20,3cm kanons, 10-12cm kanons, 12-12pd kanons, 5-4,7cm kanons en 3-360cm torpedo buizen.
4. Dezelfde maand veroorzaakten het bezoek van drie Japanse pantserschepen aan Batavia [Djakarta] grote opwinding onder de bevolking aldaar. De drie schepen kwamen daar kolen laden.
5. Sato Aimaro (3 april 1857-1 September 1939) Gezant bij het Nederlandse hof sinds 1906/1907 en in 1914 benoemd als ambassadeur te Wenen en later in Bern.
6. Baron Shimamura Hayao (21 September 1858-8 januari 1923), in actieve dienst tussen 1874 en 1921, die zijn loopbaan afsloot in de rang van marshal admiral. Hij was inderdaad onder meer commandant van de Japanse marine academie.
7. William James Cohen Stuart (4 maart 1857-2 juni 1935), minister van marine tussen 17 augustus 1905-5 augustus 1907 en ook marineofficier met als eindrang kapitein ter zee als commandant van het pantserdekschip Hr.Ms. Friesland.
8. Willem Römer (20 januari 1851-14 oktober 1927), eindigde zijn loopbaan in de rang van vice-admiraal. Vlissingen was destijds dus duidelijk van ondergeschikt belang binnen het Nederlandse defensiebeleid.
9. Karel Frederik Sluijs (13 oktober 1871 Kanazawa, Japan-9 maart 1939 Den Haag), in actieve dienst tussen 1890 en 1927, die als chef van de marinestaf zijn loopbaan afsloot in de rang van vice admiraal.
10. De Hr.Ms. Bulgia vanaf 22 oktober 1894 gestationeerd te Vlissingen vertrok lag de maand daarvoor te Amsterdam om deel te nemen aan oefeningen op de Zuiderzee [nu IJsselmeer] tussen 3-4 juni. Na afloop hiervan zou zij buiten dienst worden gesteld en zou haar bemanning overgaan op de Hr.Ms. Bever die vanaf 20 juni te Vlissingen gestationeerd zou worden. Blijkbaar was de Bever afwezig want op 20 juli meldde de krant dat zij terugkeerde van Hellevoetsluis.
11. Cornelis Fock (30 augustus 1871), in actieve dienst tussen 1889 en 1927, die zijn loopbaan afsloot in de rang van vice-admiral,
12. Takenouchi Heitaro (6 februari 1863-21 december 1933), haar eerste commandant, in actieve dienst tussen 1877 en 1910, die zijn loopbaan afsloot in de rang van admiraal
13. Tanin Yamya (18 april 1866-10 september 1940), in actieve dienst tussen 1886 en 1922, die zijn loopbaan afsloot in de rang van admiraal. Naast actief officier met oorlogservaring ook een marinetheoreticus.
14. Baron Ijuin Goro (29 september 1852-13 januari 1921), in actieve dienst tussen 1871 en 1917, die zijn loopbaan afsloot in de rang van marshal admiral. In een andere editie wordt geschreven dat voor zover bekend niet eerder Japanse oorlogsschepen Vlissingen bezochten. In 1902 hebben Japanse marineofficieren wel België bezocht.
15. Isamu Takeshita (4 december 1869-1 juli 1949), in actieve dienst tussen 1889 en 1929, die zijn loopbaan afsloot in de rang van marshal admiral.
16. Het is verleidelijk om deze Yamamoto te identificeren met Isoroku Yamamoto, geboren als Isoroku Takano (4 april 1884-18 april 1943). Alleen hij accepteerde de adoptienaam Yamamoto pas officieel in 1916. In actieve dienst tussen 1901 en 1943, die zijn loopbaan afsloot in de rang van marshal admiral en opperbevelhebber van de Japanse zeestrijdkrachten tijdens de Tweede Wereldoorlog en verantwoordelijk voor de aanval op Pearl Harbor op 7 december 1941.

woensdag 25 februari 2015

99-jaar oude rij- en nummerbewijzen van Nicolaas van Eekelen weer terug in Vlissingen

Een niet weg te denken verschijning in onze samenleving. Liefkozend en bespottend aangeduid als de heilige koe. We hebben het over de auto. Alsof ie al eeuwen lang rijdt. Bijna elke gezin heeft er wel een of soms zelfs meer. En hebben gezinsleden geen auto dan hebben ze vaak wel al het rijbewijs. En daarover gaat nu dit stukje. Als geboortejaar wordt 1885 genoemd, zij het met voorgangers. In Nederland werd in 1897 voor het eerst een auto gebouwd, namelijk een Eysink. De eerste auto’s leken meer op (open) koetsen, alleen de paarden ontbraken.

Auto’s waren in de beginjaren alleen voor de elite/rijken bestemd, voor de gewone man kwam de doorbraak en de kans op een eigen auto toen de massaproductie op gang kwam. Het beroemde T-fordje is hiervan het voorbeeld.

Al snel werd duidelijk dat met de komst van auto’s en motorrijwielen de veiligheid op straat in het gedrang kwam. Naar goed Nederlands gebruik moest alles in voorschriften worden vastgelegd. In de verkeerswet van 30 december 1916 stond bijvoorbeeld dat je 16 jaar oud moest zijn wilde je motor gaan rijden en 18 jaar voor auto’s. Ook was er al sprake van een vorm van kentekenregistratie. Er werden zogenaamde nummerbewijzen uitgegeven, in de provincie Zeeland werd het nummer afgegaan door de letter ‘K’. Als je de weg opreed, diende je op de auto of motor dat nummer goed zichtbaar (op een donkerblauwe achtergrond) te tonen. Werd je aangehouden door de politie, dan moest de bestuurder rijbewijs en nummerrijbewijs overleggen.

Wanneer de eerste auto Vlissingen aandeed, weten we niet wel wanneer voor het eerst een auto in Vlissingen werd geregistreerd. Dat was in 1898, het vijfde kenteken in de provincie Zeeland. Het mooie is dat in onze beeldcollectie zelfs een foto van deze auto bewaard is gebleven.
Beeldcollectie Gemeentearchief Vlissingen FA 45745
De eerste Vlissingense en de vijfde Zeeuwse auto in 1898, eigenaar P. van Beers, Prinsenboschje K300. Auto is van het Duitse merk Stoewer

Via de heer Marco Neroni kwam een rijbewijs en een nummerrijbewijs, beide afgegeven op 27 januari 1916 aan Nicolaas van Eekelen in ons bezit. Het nummerbewijs geeft jammer genoeg niet aan of het om een auto of om een motor gaat. Wat wel duidelijk is, is dat het aantal gemotoriseerde voertuigen geregistreerd in Zeeland nog steeds vrij laag was, gelet op het nummer K1117. In het bevolkingsregister staat een Van Eekelen vermeld voor 1916. Het gaat om de metaaldraaier [bankwerker] Nicolaas geboren op 3 augustus 1887 in Bergen op Zoom. Op 2 april 1907 vestigt hij zich in Vlissingen komende uit zijn geboortestad. Hij was echter al op 3 September 1906 aangenomen bij de Kon.Mij. De Schelde tegen een uurloon van 14 cent. Het vak heeft hij vermoedelijk geleerd bij S. Neerings&Co. Machinefabriek op Bergen op Zoom. (1) Op 14 september 1910 komt ook Antonetta Louisa Johanna Hoornick vanuit haar geboorteplaats ’s Heerenhoek in Vlissingen wonen. Beiden zijn op 31 augustus dat jaar in haar geboorteplaats getrouwd. Op 10 November 1945 overlijdt Nicolaas in zijn woonplaats Vlissingen. Op 13 december verschijnt in de Provinciale Zeeuwse Courant een advertentie waarin de nabestaanden hun dank betuigen voor alle condoleances, in het bijzonder die van het personeel van de Kon. Mij. De Schelde.
Jammer genoeg is de nummerregistratie van de provincie Zeeland voor zover bekend grotendeels verloren gegaan. Zo kunnen wij (nog) niet aangeven wat de bewuste K1117 was. Nicolaas behoorde niet tot de bourgeoisie van Vlissingen. De eerste gedachten gaan uit naar een motorrijwiel en niet een auto. Ten tijde van de afgifte van de rij- en nummerbewijzen is hij werkzaam als slijper bij de draaierij in de Machinefabriek tegen een uurloon van eerst 29, later dat jaar wordt het uurloon met 2 cent verhoogd. 

Noot
1. Vermoedelijk wordt NV IJzergieterij en Machinefabriek Rogier Nerinckx Richter bedoeld.

dinsdag 13 januari 2015

Vlissingen en de Spaanse Armada van 1588 Een oorlogswimpel vertelt een uniek brokje Zeeuwse maritieme geschiedenis



 Het jaar 1568 staat in de Nederlandse geschiedenis bekend als het begin van de Tachtigjarige Oorlog. Eigenlijk moeten we spreken van een opstand tegen de wettelijke heerser, te weten de Spaanse koning Filips II. Engeland koos de zijde van de opstandelingen. Voor de stad Vlissingen zou dat grote gevolgen hebben want het werd in 1585 samen met onder meer het fort Rammekens in onderpand gegeven aan de Engelse kroon tot in 1616.

In 1588 besluit de Spaanse kroon tot een invasie van Engeland. Een grote vloot bekend als de Spaanse of Onoverwinnelijke Armada werd uitgerust en uitgezonden. De bedoeling was dat generaal Alexander Farnese, hertog van Parma met een troepenmacht de Noordzee zou oversteken en Engeland binnenvallen. Het liep echter anders. De Spaanse vloot werd vernietigend verslagen door de Engelse vloot. Nederlandse schepen onder het commando van Justinus van Nassau droegen hun steentje bij. Twee Spaanse galjoenen strandden bij Vlissingen, namelijk de San Felipe en de San Mateo waarvan de laatste bij fort Rammekens. Uit ooggetuigeverslagen blijkt dat men getracht heeft beide schepen te redden en naar de Vlissingse haven te brengen. Dit is vermoedelijk niet gelukt al is er een intrigerende vermelding over de verkoop van een Spaans galjoen te Vlissingen. Wat resteert van deze gebeurtenissen is een deel van de oorlogswimpel van de San Mateo.
Museum De Lakenhal, Leiden

Prent vervaardigd door Daniël Veelwaard 1776-1851. Objectnummer RP-O-0B-66.606. Rijksmuseum Amsterdam



Scheltema beschreef in 1825 hoe het galjoen van Diego de Piementel werd veroverd door de kleine Zeeuwse dremmelaars of poonschuiten. Hij verhaalde dat een groot galjoen uit Biscaye werd aangevallen door een Zeeuws oorlogsschip en veroverd. Het zonk echter met man en muis vanwege de grote schade opgelopen door het geschutsvuur. De volgende passage uit zijn boek (p. 177-178) verhaalt wat er zich toen afspeelde. ‘Het heeft mij leed gedaan, den naam van den koenen veroveraar niet te hebben kunnen opsporen. Hij was de eenigste held, die het heeft durven wagen, om een galjoen te enteren. Zijn lijk is opgevischt, en met krijgsmans eere en met de Spaansche vlag op de kist, te Vlissingen begraven. De vlag werd in de kerk boven zijn graf gehangen. De twee Portugese galjoenen St. Philippus (1) en St. Matthaeus (2) gingen ook verloren. Francisco de Toledo wist, vergezeld van enkele edellieden, veilig Oostende te bereiken om vervolgens gevangen te worden genomen door de Engelsen. Zijn schip werd veroverd door de Vlissingers. De Piementel commandeerde het tweede galjoen dat tijdens het gevecht zwaar beschadigd werd en gevaar liep te zinken. Een visser die als loods fungeerde, manoeuvreerde [bewust] het galjoen zodanig dat het terecht kwam tussen de zandbanken voor Sluis met zonder uitzicht om te kunnen ontkomen. Het werd aangevallen door Hollandse en Zeeuwse dremmelaars waarbij veertig Spanjaarden sneuvelden. De Spaanse vlag werd gestreken en de De Piementel overgebracht naar het schip van vice admiraal Pieter van der Does. Een poging beide galjoenen naar Vlissingen te brengen mislukte, toen ze vanwege de opgelopen schade zonken. De gewonde overlevenden werden verzorgd en naar Vlaanderen gestuurd. De gezonde overlevenden, circa 150 man, gingen naar Holland om te worden uitgewisseld of tegen betaling van losgeld.

Jan Wagenaar (p. 286-287) schreef in 1792 dat de Spaanse Armada tot de aftocht gedwongen werd toen op 2 September de Engelsen branders inzetten. Verder vermeldde hij dat het galjoen van Don Diego de Piementel geheel reddeloos geschoten was en onder Duinkerken veroverd werd door vice admiraal Van der Does. Het door Van der Does veroverde wimpel werd opgehangen in de kerk te Leiden. De Piementel werd in Den Haag ondervraagd en verklaarde dat de Spaanse aanval was gericht op Engeland en niet gericht op de Lage Landen. Een tweede Spaans schip strandde bij Blankenburg en werd vanuit Oostende geplunderd.

K.J.S. Boston (p. 86) schreef dat de wimpel van het Spaanse galjoen San Mateo door Pieter van der Does (1562-1699) in hetzelfde jaar was meegenomen naar Leiden waar ‘hij toen hij nog in de Pieterskerk hing, van het gewelf tot op de grond reikte’. In de collectie van het Leidse museum De Lakenhal is van de wimpel een restant bewaard gebleven. De wimpel heeft als collectienummer 3186, heeft nu als afmetingen 391 x 294,5cm met als materiaal beschilderd linnen.

Er bestaan ook ooggetuigeverslagen van overlevenden aan Spaanse zijde. Deze zijn deels gepubliceerd in de zogenaamde Calendar of State papers Simancas.

Een bericht d.d. 28 Augustus (Paris Archives, K.1567) vermeldt dat de San Mateo op een zandbank nabij Vlissingen liep bij gebrek aan een goede loods. Ze werd aangevallen door twintig schepen afkomstig uit Vlissingen. Toen duidelijk werd dat het galjoen niet te redden was, capituleerde haar commandant. De zieken en gewonden aan boord werden naar Vlaanderen gebracht, de rest gevangen genomen om losgeld te kunnen eisen. Pimenet werd, bewaakt door vier man, naar Vlissingen gebracht. Volgens hetzelfde bericht telden de aanvallers 300 doden en gewonden in hun lederen.

De hertog van Parma schreef op 29 augustus (Estado 594) aan zijn koning dat volgens ingewonnen informatie de San Mateo naar Vlissingen was opgebracht. Zwaar beschadigd als gevolg van de gevechten zonk zij in de haven. De vijand (lees de Zeeuwen en Hollanders) kregen niet eens de kans van boord te gaan. De San Felipe die ook naar Vlissingen werd gebracht zonk eveneens.

Ook Pedro Coco Calderon (24 September Guerra, 221) beschreef wat er met de twee galjoenen gebeurde. Beide schepen waren zwaar beschadigd tijdens de gevechten. Bij de San Felipe waren vijf van haar kanons aan stuurboordzijde buiten gevecht gesteld. Een Italiaanse kanonnier die later ook sneuvelde, maakte een van haar zware kanons onbruikbaar. Haar bovendek was vernietigd, beide pompen stuk, de tuigage weggeschoten, in feite was het een wrak. Don Francisco de Toledo weigerde zich over te geven. Uiteindelijk werd zij te hulp geschoten door de hulk Doncella. Deze trof de San Felipe in zinkende staat aan en nam 300 van haar opvarenden aan boord. De San Mateo was zo doorzeefd dat ook zij zinkende was. De pompen konden het binnenstromende water niet aan. Ook zij is gedwongen om hulp te vragen waarop het Spaanse vlagschip een duiker zond. Deze was in staat enkele lekken te stoppen. Zowel de San Mateo en de San Felipe raakten achter op en verdwenen uit het zicht van Calderon. Hij wist dan ook niet wat met beide schepen gebeurd is. Het gerucht ging dat zij op de zandbanken verloren gingen.

In 2012 verscheen een door het Zeeuws Archief uitgegeven transcriptie van de resoluties van de gecommitteerde raden van de Zeeuwse Admiraliteit. Diverse keren wordt vermeld dat kanons, afkomstig van Spaanse schepen, worden hergebruikt op Zeeuwse oorlogsschepen. De kanons waren opgeslagen in Vlissingen en de Vlissingse equipagemeester Pieter Willemssen was verantwoordelijk voor de uitgifte.

Voorbeelden van hergebruik zijn bijvoorbeeld het besluit d.d. maandag 22 augustus om vier van de zwaarste kanons te plaatsen op het fort van Den Haeck. Op donderdag 22 September moesten twee metalen kanons afkomstig van het Spaanse galjoen worden verstrekt aan kapitein Evert Hendricx voor plaatsing op diens schip. De volgende dag moest Willemsen bovendien ook aan vice admiraal Joos de Moor twee kanons af staan, afkomstig van het Spaanse galjoen welke te Vlissingen was binnengebracht.

Een vermelding is echter intrigerend. Op dinsdag 3 januari 1589 komt een verzoek van de Arnemuidense burger Jan Dirricxzoon Bieselinghe op tafel. Jan verzoekt kwijtschelding van circa 40 pond Vlaams verschuldigd aan de vendumeester Jongeleyns voor de aankoop van het Spaanse galjoen te Vlissingen. Uiteindelijk krijgt hij uitstel van voor een periode van drie maanden. 

For a  summary in English

Bronnen
K.J.S. Boston. Hart voor Leiden. Jan van Hout (1542-1609), stadssecretaris, dichter en vernieuwer, 2009.
José Luis Casado Soto. Los barcos espanoles del sig. XVI y la Gran Armada de 1588.
Quirino da Fonseca. Os porugueses no mar.
Jacobus Scheltema. De uitrusting en ondergang der onoverwinnelijke vloot van Philips den Tweeden Koning van Spanje, in 1588.
J.C.A. Schokkenbroek. ‘Wherefore Serveth Justin with his Shipping of Zeeland?’The Dutch and the Spanish Armada, 1588’ in: God’s Obvious Design. Papers for the Spanish Armada Symposium, Sligo, 1988. ed. Gallager, P. en Cruickshank, D.W.
Jan Wagenaar. Vaderlandsche historie, vervattende de geschiedenissen der nu Vereenigde Nederlanden, inzonderheid die van Holland, van de vroegste tijden af: etc. 8e Deel, 1792.
Calendar of State papers Simancas: August 1588, 26-31 gepubliceerd op www.british-history.ac.uk (BHO-British History Online)
Resolutiën van de Gecommitteerde Raden ter Admiraliteit in Zeeland 1584-1648. Deel 1 1584-1591. Zeeuws Archief, Middelburg, 2012.

Noten
1. Gebouwd 1583. Meting 800 toneladas sueldo/510 toneles machos met als afmetingen 32,50 x 9,70 x 5,17, bewapening 40 kanons en een bemanning van 532 koppen (117 zeelieden en 415 soldaten). Officieren aan boord waren onder meer Juan Poza de Santiso en don Francisco de Toledo. De Portugese galjoenen behoorden tot de beste schepen van de Spaanse Armada.
2. Gebouwd 1580. Meting 600-900 toneladas sueldo/490 toneles machos met als afmetingen 32,07 x 9,57 x 5,10, bewapening 34 kanons en een bemanning van 397 koppen (120 zeelieden en 277 soldaten). Officieren aan boord waren onder meer don Diego Pimentel, don Rodrigo de Vivero en don Luis Vanegas.


dinsdag 16 december 2014

De Kon.Mij. De Schelde te Vlissingen bouwde in 1885 de Amsteldiep en Mossel voor de Maatschappij Oesterteelt Amsteldiep

GoesscheCourant 12 juni 1884
 
De scheepswerf Kon. Mij. De Schelde heeft sinds haar oprichting in 1875 honderden schepen gebouwd en/of gerepareerd. Bovendien werden in de door haar gebouwde schepen machines en ketels geplaatst vervaardigd in de machinefabriek en ketelmakerij. Verder leverde men schepen en ketels ten behoeve van elders gebouwde schepen. De plaatsing hiervan gebeurde veelal weer in Vlissingen.

De schepen die gebouwd werden zijn grofweg in twee categorieën onder te verdelen, namelijk koopvaardij (inclusief visserij en veerdiensten) en marine. Naast tal van passagiers- en vrachtschepen zijn ook een aantal schepen gebouwd voor de visserij. Twee hiervan waren bestemd voor een Vlissingse maatschappij die zich bezighield met de oesterteelt in het Amsteldiep.(1) Naast het archief van de Kon. Mij. De Schelde dat berust op het gemeentearchief Vlissingen staan nog een aantal bronnen tot onze beschikking als wij iets meer willen weten over de Vlissingse scheepsbouw. In dit verband wil ik met name wijzen op de krantenbankzeeland waarin de sinds de 18e eeuw in Zeeland verschenen kranten zijn opgenomen, op de historische krantenbank beheerd door de Koninklijke Bibliotheek en in het geval van de twee bewuste schepen op de krantenbank van het Noordhollands Archief. In de afgelopen jaren zijn vele kranten gepubliceerd in het Nederlandse taalgebied (inclusief Nederlands Indië en de West) gedigitaliseerd en via diverse websites thuis in te zien.

In de Goessche Courant d.d. 12 juni 1884 staat een advertentie waarin de ontvanger der registratie en domeinen te Den Helder aankondigt de oester- en mosselteelt in de Zuiderzee te willen verpachten.(2) Het gaat hierbij om een gebied langs de zuidkust van Wieringen, de Anna Paulowna Polder, beoosten de Ewijcksluis, de Wieringerwaard en het noordelijk deel van de Waardpolder en bovendien het Amsteldiep. De verpachting vond plaats op woensdag 16 en donderdag 17 juli 1884 in het lokaal Tivoli te Nieuwediep (lees Den Helder) ten overstaan van notaris Hattinga Raven. Ondanks de geografisch gezien grote afstand was er ook binnen Zeeland belangstelling voor deze visgebieden.

Dat blijkt onder meer uit een bericht verschenen in de Middelburgsche Courant d.d. 2 september. Enkele dagen eerder was in Vlissingen namelijk de maatschappij Oesterteelt Amsteldiep opgericht via een onderhandse akte.(3) De nieuwe maatschappij richtte zich op het Amsteldiep gelegen tussen de Noordhollandse kust en het eiland Wieringen. Commissarissen werden A. Smit en Verkuijl Quakkelaar uit Vlissingen en Brandt uit Middelburg terwijl Jan Pot uit Alkmaar werd benoemd tot boekhouder. De heren gingen voortvarend van start want de editie van 10 december vermeldde dat de Kon. Mij. De Schelde opgedragen was een zogenaamde ijzeren blazer te bouwen.(4) Deze opdracht kwam voor de werf mooi op tijd aangezien er niet tot weinig werk was en verdere ontslagen nu werden voorkomen. De Vlissingse Courant d.d. 22 februari 1885 vermeldde de tewaterlating van de blazer. Op de werf was het nog steeds kommer en kwel want er waren tussentijds geen nieuwe bouworders binnengehaald. De blazer was in tegenstelling tot wat gangbaar was van ijzer gebouwd.

Volgens de orderkaart werd de Amsteldiep besteld op 19 november 1884 en werd de kiel acht dagen later gelegd met als bouwnummer 45. De aannemingssom bedroeg ƒ 5.000, maar uiteindelijk moest de Schelde er op toe leggen. De totale bouwkosten bedroegen ƒ 5.142, dus een verlies van ƒ 142. De bouw ging gestaag voort. Op 17 december stond de blazer in de spanten, op 28 januari 1885 was de beplating aangebracht en op 21 februari was de tewaterlating. Na 3,5 maand bouwen was de blazer gereed en op 2 maart werd zij overgedragen aan de nieuwe eigenaar. Er was sprake van een geslaagd schip uitstekend voldeed en alles voorbij liep, met andere woorden een snelle zeiler. Het was een 1-master uitgerust met twee zwaarden langszij aangebracht. De waterverplaatsing bedroeg 60 ton met een volle bun inclusief 6 ton water. De afmetingen waren 15,44 x 4,67 meters en een hoogte in de zijden op het vaste voordek van 1,67 meter. De waterverplaatsing werd alleen in Engelse maat (een Engelse voet is 30cm en een inch=2,54cm) weergegeven en bedroeg 2’6”-2’9” (voor)-2’0”-3’3” (achter).

De maatschappij had dus inmiddels wel een vaartuig maar blijkbaar nog geen of te weinig ervaren scheepsvolk getuige de advertentie in de Zierikzeesche Nieuwsbode d.d. 9 april. Men vroeg een ijverige en bekwame oesterschipper die op een later tijdstip als onderbaas in Wieringen aan het werk werd gesteld. Logies was aan boord van een grote blazer en het geboden weekloon was ƒ 15,00. De werving was verder overgedragen aan een zekere Reingoudt die als opzichter in dienst was van de firma Hage&Co. te Yerseke.

Datzelfde jaar werd aan de Kon.Mij. De Schelde ook opdracht gegeven voor de bouw van een kleine stoomboot inclusief de machine en de stoomketel. De Middelburgsche Courant en de Vlissingse Courant d.d. respectievelijk 27 en 28 juni vermeldden echter niet de naam van dit schip. Op de 27e werd de kiel gelegd onder een van de kappen. Het gaat om de geheel van ijzer gebouwde Mossel met bouwnummer 46. Deze werd besteld op 15 juni 1885, vier dagen later op stapel gezet, in de spanten op 8 juli, beplating voltooid op 4 augustus, te water gelaten op 15 oktober, op 22 oktober officieel beproefd en op 4 november overgedragen aan de eigenaar. De 2-cilinder diagonale compound stoommachine leverde bij 200 omwentelingen 50 hp waardoor met de enkele schroef een snelheid kon worden behaald van 6 knopen. Met een waterverplaatsing van 76 ton bedroegen haar afmetingen 65’0” (over steven)-68’0”(over het dek) x 23’1”x 3’9” (voor)-4’6” (achter) en een holte van 7’0”.

De Goessche Courant en de Middelburgsche Courant d.d. 6 oktober publiceren een enigszins verwarrend artikel. De journalist had vernomen dat in Yerseke een experiment zou plaatsvinden waarbij het gebruik van stoom in de oestercultuur werd ingevoerd. De firma De Groot uit Bolier zou al een aantal jaren een raderstoomboot in dienst hebben die verscheidene ondiepe grote bakken sleepte met hierin scheepsvolk voor het korren van oesters. Een andere firma uit Yerseke zou de scheepswerf Smit te Kinderdijk de opdracht hebben gegeven een schroefstoomboot te bouwen die met behulp van stoom oesterskorren (5) kon voortslepen zodat de bewuste bakken overbodig waren. Deze nieuwe schroefstoomboot genaamd Mossel, en die ‘inderdaad in vorm ook veel overeenkomst met een mossel’ had, was bestemd voor de Schelde en het Amsteldiep. De proeftocht was gepland op 16 oktober.

De Middelburgsche Courant d.d. 14 oktober ging nader in op het bericht in de editie van de 6e. Vanuit Vlissingen werd de aankomst gemeld van de nieuw gebouwde kleine raderstoomboot Neeltje.(6) Zij was afkomstig van Capelle a/d IJssel en gebouwd voor de maatschappij Oesterteelt Nederland (met als directeur C. Lindenberg) gevestigd te Yerseke. De Neeltje had een geringe diepgang en met name het achterschip was breed. Doordat de verschansing naar beneden kon worden omgeklapt, was het mogelijk een geheel vrij dek te creëren. De Kon. Mij. De Schelde had opdracht gekregen tot het vervaardigen van haar machine en ketel. Dezelfde editie meldde dat dezelfde week bij de Kon. Mij. De Schelde een schroefstoomboot genaamd Mossel te water zou worden gelaten bestemd voor de oesterteelt in het Amsteldiep. Deze was van geheel andere vorm dan de Neeltje waarop ‘zoals vroeger in uw blad is gemeld, als proef ook eene korinrichting met stoom in werking zal worden gebracht.

Terugkomend op de Mossel die gebouwd werd op de De Schelde. De Middelburgse Courant van de 16e vermeldde haar tewaterlating iets na 7.00 uur donderdag ’s ochtends onder grote belangstelling van het publiek op en voor de tonnenbrug. Opnieuw werd verwezen naar haar uiterlijk: “het vaartuig is van ongewonen vorm en lijkt veel op de helft van het dier, welks naam het draagt”. De stoomkorinrichting die ook bij de De Schelde was vervaardigd, stond op het achterdek en kon tegelijkertijd acht korren aandrijven.

Uitgaande van een bericht in de Goessche Courant d.d. 9 oktober 1886, dus een jaar later waren de pachters van het Amsteldiep te weten Smit, Kakebeeke en Van Roojen tevreden over de behaalde resultaten en van plan de exploitatie voort te zetten. In augustus was door de maatschappij een terrein beoosten het fort Oostoever in erfpacht verkregen waarin een oesterput moest worden aangelegd.

J. Pot uit Alkmaar adverteerde in 1887 ook met mosselzaad (val 1885 en val 1886) afkomstig uit het Amsteldiep. Te leveren tegen contante betaling aan boord van de Mossel in Wieringen, Nieuwediep, Enkhuizen etc. De prijzen waren laag en de levering snel aldus Pot. De Mossel was dat jaar wel betrokken bij een botsing. De Heldersche en Nieuwedieper Courant van 4 Mei vermeldde dat de dag daarvoor zij voor reparatie met behulp van een slede op de helling van de werf De Lastdrager werd getrokken toen plots de ketting brak. De Mossel liep achterwaarts met behoorlijke snelheid van de helling af en raakte midscheeps ter hoogte van de kolenbergplaats de in de binnenhaven afgemeerde torpedoboot Zr. Ms. Ardjoeno. Deze werd dermate zwaar beschadigd dat het wezenlijke gevaar bestond dat zij zou zinken. Na het treffen van noodmaatregelen zou de torpedoboot de 4e verder worden onderzocht in het droogdok. Pot zelf verdronk bijna dat jaar. De editie van zondag 5 juni vermeldde dat het vaartuig van de maatschappij de donderdag daarvoor terugkeerde toen het ter hoogte van Wieringen kapseisde. Hij was in staat zich vast te klampen aan de scheepwand totdat schipper J. Butter en rijksbelastingambtenaar Bakker hem zagen en hem wisten te redden. Wat er met het vaartuig elders aangeduid als het scheepje gebeurde, wordt niet vermeld. Was dit de blazer Amsteldiep? De Mossel werd op 24 juli door de sleepboot Stad Amsterdam het Nieuwediep binnengesleept toen haar eigen machine defect raakte.

De Mossel kwam in 1888 opnieuw in het nieuws zij het nu positief. De editie van dezelfde krant d.d. 11 november vermeldde dat het rijksvaartuig De Trekvogel door de stroming tegen de steenglooiing ten westen van het wierhoofd op de Hauks (eiland Wieringen) werd aangedreven toen haar anker begon te slippen. De Mossel was echter in de buurt en wist met veel moeite de De Trekvogel uit haar benarde situatie te bevrijden en naar veilig vaarwater te slepen.

Het Vliegende blaadje d.d. 7 januari 1891 vermeldde dat de strenge vorst grote schade had berokkend aan de oesterput Amsteldiep. Duizenden oesters die daar in depot werden bewaard waren volledig bedorven en niet meer geschikt voor gebruik. In april 1894 werd de oesterput met woning en twee bergplaatsen te koop aangeboden. Geen woord echter over de beide vaartuigen Amsteldiep en Mossel. J. Pot bood in de De landelijke nieuwspaper Het nieuws van den dag: kleine courant van 13 April te huur of te koop aan de vrachtschroefstoomboot Mossel (18 x 7 x 2 m), de radersleeptoomboot Ostrea (13,5 x 5,5 x 1 m) en een ongenaamde ijzeren water- en kolenlichter (30 x 4 x 2 m). De Mossel was tot 19 april in gebruik op de lijn Harlingen-Texel-Nieuwediep v.v. De beide andere vaartuigen lagen aan de Oesterput.

Bronnen
Behalve de in de tekst vermelde bronnen werd gebruik gemaakt van het archief van de Kon.Mij. De Schelde 1875-1960 (toegang 214) invnrs. 3 en 6 en de niet-geïnventariseerde orderadministratie.

Noten
1. De stroomgeul annex zeegat Amsteldiep vormde een scheiding tussen de Waddenzee en de toen nog bestaande Zuiderzee (vandaag de dag het IJsselmeer). Bovendien scheidde deze stroomgeul het eiland Wieringen van het vasteland. Door de aanleg van de Amsteldiepdijk in 1924 werd een deel van het Amsteldiep afgesloten waardoor het Amstelmeer werd gevormd. Doordat de dijk nu ook Wieringen verbond met het vasteland was niet langer meer sprake van het eiland Wieringen. De Zuiderzee werd in 1932 definitief afgesloten door de Afsluitdijk en gedeeltelijk ingepolderd. Het resterende water is nu bekend als het IJsselmeer.
2. Tijdschrift voor geschiedenis 1886-1940, 14 jaargang p. 84 e.v. ‘De Nederlandsche oesterteelt’. Overigens is hier sprake van de maatschappij De Schelde. Dit artikel is raadpleegbaar via de link Oesterteelt.
3. Een steekproef in de archieven van de notarissen op dat moment werkzaam te Vlissingen naar deze akte heeft (vooralsnog) geen resultaat opgeleverd.
4. Een blazer is een zeilschip verwant aan de botter maar voller en zwaarder uitgevoerd. De bolle spantvorm liep naar achter toe uit in een S-vorm. Blazers werden met name gebruikt bij de visserij op de Zuiderzee en op de Wadden en in mindere mate op de Zeeuwse stromen. Door de krachtige vorm vonden blazers ook afzet in de vrachtscheepvaart en als bergingsvaartuig. Dit scheepstype dateert uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Dat betekent dat ook bij De Schelde geen grote ervaring voorhanden was met de bouw van dit type.
5. Een oesterkor is een ijzeren raamnet gebruikt in de oestervisserij en waarmee de oesters als het ware van bodem worden opgeschept.
6. De machine no. 63 en de ketel K96. De Neeltje is echter volgens de orderadministratie van De Schelde gebouwd door A. Vuyk te Capelle a/d IJssel.

zondag 23 november 2014

Het linieschip Goes gebouwd op de Admiraliteitswerf te Vlissingen in 1779-1781

In onze werkkamer hangt aan de muur een enigszins naïef aandoend maar kleurrijk schilderij van de hand van G. Brakkee. Het is geschilderd aan de hand van een prent uit 1779 en het stelt de Admiraliteitswerf in Vlissingen in dat jaar voor. Het is een gezapige voorstelling. Een schip dat in de spanten staat, een aantal scheepslieden aan het werk en op de achtergrond het -niet meer- bestaande Arsenaal, een oorlogsschip en een drietal kleinere scheepjes. De werkelijkheid ligt echter anders.

Het bewuste schilderij van G. Brakkee

Het origineel zoals zich dat bevindt in de Topografische Atlas HTA0354, zij het dat ik de sierranden en de onderstaande tekst heb weggesneden. J. Arends schreef dat hij de werf had weergegeven gezien vanuit de mastloods. Het onderschrift luidt verder 'Dit 's Zeelands ruime Werv, waar op een zeekasteel Gebouwd werd en getuigd, om fier ten krijg te vaaren.

In de 18e eeuw was de vloot van de Republiek der Verenigde Nederlanden slechts een flauwe schim van de 17e eeuwse. Door voortdurend geldgebrek werd nauwelijks nog nieuwbouw gepleegd laat staan dat schepen werden uitgerust. Dit gold ook voor de Zeeuwse admiraliteit met werven in Vlissingen, Veere en Zierikzee waarbij Vlissingen de grootste was. Bijkomend geluk was dat de Republiek niet zoals een eeuw eerder bijna voortdurend in oorlog was. Sinds stadhouder Willem III koning werd van Engeland, waren beide staten bondgenoten. Alleen ten tijde dat de prent in 1779 werd gemaakt, waren de tijden veranderd. De Republiek raakte steed meer betrokken bij de Amerikaanse Vrijheidsoorlog toen deze kolonie zich van het moederland Engeland wilde los maken. Vanuit het eiland St. Eustatius bekend als de Golden Rock werden wapens en munitie geleverd aan de opstandelingen. De Republiek koos niet de partij van Engeland toen Frankrijk dit land in 1778 de oorlog verklaarde, maar koos ervoor zich aan te sluiten bij de neutrale staten als Denemarken en Rusland. In 1780 verklaarde Engeland de Republiek de oorlog die formeel pas in 1784 eindigde. Een uitgebreid bouwprogramma moest de Republiek weer tot een belangrijke zeemacht maken. De Goes stond al op stapel toen de oorlog uitbrak, maar al snel werden nog twee grote schepen op stapel gezet. 

Op zowel de prent als het bewuste schilderij staat een schip in aanbouw afgebeeld met op de achtergrond nog twee schepen, waarvan minimaal een ook een oorlogsschip is. Jammer genoeg worden geen namen genoemd. Betekent dit dan dat het een anoniem geheel wordt? Neen, de rekeningen van de Vlissingse equipagemeester Maarten Haringman bieden uitkomst.

In 1779-1780 was Haringman verantwoordelijk voor de uitrusting van vijf grote en twee kleinere oorlogsschepen. Het oorlogsschip dat op de achtergrond bij het Arsenaal zichtbaar is, is vermoedelijk een van deze vijf schepen. Dit waren de Zierikzee (1733), Zuijdbeveland (1746), St. Maartensdijk (1756), Brunswijk (1761) en Walcheren (1767). Op de St. Maartensdijk na waren deze schepen alle te Vlissingen gebouwd; tussen haakjes het bouwjaar. 

Detailopname van het schip op stapel staande

Model NG-MC-265, Rijksmuseum Amsterdam, Originele url

Volgens het Rijksmuseum stelt dit model de Zeeland voor, gebouwd in 1782 op de Vlissingse Admiraliteitswerf. Het model is afkomstig uit de Marine Modellenkamer en is destijds beschreven door Obreen als zijnde de Stad Goes uit 1781. De Goes behoorde tot het vierde charter met als afmetingen van 154 x 43 x 19 voet, een bewapening van 50-58 kanons en een bemanning van 300 koppen. In 1781 was Stavorinus haar commandant. In 1797 werd het schip tenslotte gesloopt.

Haringman vermeldt ook de aanbouw (in 1780) van een nieuw oorlogsschip genaamd Goes, dit is het schip wat op het schilderij in aanbouw was. De bouw van zo'n schip was een bron van inkomsten voor de plaatselijke middenstand en nijverheid. Zo kreeg Berbera Flaman ƒ 03:06:03 voor het naaien van vlaggen, de weduwe Cappelle ƒ 03:18:08 voor het leveren van katoen voor dezelfde vlaggen en Pieter Steve kreeg ƒ 64:07:00 voor het gieten van metalen harten voor de blokken. De Goes werd gebouwd door meester timmerman Jacobus van Drongelen. Dezelfde Van Drongelen ontwierp ook de 1780-1781 aangelegde kielkade. De tewaterlating op 21 mei 1781 ging onder het genot van enige wijn, zo werden 8 stoop [=192 liter] wijn geleverd. Bij het dopen op 23 December 1780 waren 21 bodders wijn geleverd. In deze jaren werden nog twee oorlogsschepen op stapel gezet.  Hiervoor was zelfs de aanleg van een extra scheepshelling nodig. Het betreft de Zeeland (172 x 46 6/11 x 21'5" voet) en de Tholen (159 x 42 x 16 voet), beide gebouwd door meester timmerman Willem Udemans afkomstig van de V.O.C. werf te Middelburg. Dat in Vlissingen gebrek was aan genoeg deskundig personeel blijkt uit het geregeld inzetten van personeel van de V.O.C. werf. Sterker nog, in 1781  werden respectievelijk 15 en 22 timmerlieden afkomstig uit Groningen en de Ommelanden naar Vlissingen gehaald.

Historisch Topografische Atlas Gemeentearchief Vlissingen cat.nr. 1411
Een deel van de Staatse vloot liggende ter hoogte van Rammekens rond 1783, De Goes wordt aangeduid met de letter B

maandag 3 november 2014

Een impressie van de Open Archievendag zaterdag 25 oktober 2014

Op 25 oktober 2014 nam het gemeentearchief Vlissingen deel aan de landelijke Open Archievendag. Met een bezoekersaantal van rond de 200 bezoekers is de dag als meer dan geslaagd te beschouwen. Er was een gevarieerd programma opgesteld met als vreemde eend in de bijt een voorleesuurtje door de gemeentearchivaris. Dat laatste was in het kader van het kinderen voorlezen door vaders. Na het aanhoren van een spookverhaal werden de kinderen meegenomen op een speurtocht over zolders en in de donkere spelonken van de kluis.

Foto Kees de Grave. FA 48538

Zoals gebruikelijk was de gelegenheid tot het deelnemen aan een drietal rondleidingen in de kluis die normaliter niet toegankelijk is voor het publiek. Zo’n 90 bezoekers konden archiefschatten bewonderen zoals een brief ondertekend door Michiel de Ruyter, een prent van Wim Hofman etc. 
Foto Kees de Grave. FA 48534

De foto-expositie over de Eerste Wereldoorlog op de eerste verdieping trok ondanks dat zij al enkele maanden te zien was opnieuw veel bezoekers.

Naast een digitale presentatie van oude schoolplaten verzorgde Dirk een presentatie van foto’s van het Vlissingse verleden waarvoor veel belangstelling was. 

 Foto Kees de Grave. FA 48543

Bovendien werd het Open Cultuur Data project bouwtekeningen van de Machinefabriek en Ketelmakerij Kon.Mij. De Schelde 1876-1938 gelanceerd. Hierbij kunnen nu wereldwijd de gedigitaliseerde tekeningen van machines en ketels van schepen en bedrijven worden bekeken. Voor elke bezoeker was ook een foto beschikbaar met daarop een machinetekening uit 1899.

woensdag 15 oktober 2014

OPEN ARCHIEVENDAG IN GEMEENTEARCHIEF VLISSINGEN 25 OKTOBER 2014



De Clijverstraat 100 jaar geleden

Op zaterdag 25 oktober zet het Gemeentearchief Vlissingen haar deuren wagenwijd open, zelfs de deur van het archiefdepot..

Deze archievendag maakt onderdeel uit van de 'Maand van de geschiedenis', met als thema: ‘Vriend en Vijand’. Onze foto-expositie over de Eerste Wereldoorlog verwijst naar dit thema.

Activiteiten die dag

·        Rondleiding in het archiefdepot met hoogtepunten als:
·        een brief met de handtekening van Michiel de Ruyter,
·        het oudste archiefstuk (1505)
·        bouwtekeningen uit het archief van scheepswerf De Schelde
·        een kaart met alle bominslagen die in Vlissingen plaatsvonden tijdens WOII
·        het briefje dat in de koker werd gestopt, onder het standbeeld van De Ruyter
 Aanvang rondleidingen: 12.00, 13.30 en 16.00 uur

De archiefschatten liggen veilig in een depot opgeslagen; de juiste temperatuur en luchtvochtigheid zorgen er voor dat het materiaal tot in lengte van jaren bewaard blijft. Normaal gesproken is deze ruimte dan ook gesloten voor het publiek. Wilt u toch eens een blik werpen in de archiefruimte waar de gemeente haar meest belangrijke en mooiste stukken bewaart, kom dan naar de archievendag.

·        Tonen van oude schoolplaten

Oudere generaties groeiden er mee op. Een vorm van aanschouwelijk onderwijs, nog altijd meer dan de moeite waard om te tonen.

·          Verkoop van enige overtollige boeken en prentbriefkaarten
Het archief is in het bezit van overtollige boeken en prentbriefkaarten, die in aanmerking komen voor afstoting. Soms gaat het om exemplaren die in veelvoud aanwezig zijn in het archief. Antiquarisch materiaal zult u echter niet aantreffen bij deze verkoop. 

·      Tentoonstelling ‘Beter een goede buur dan een verre vriend’. Vlissingen tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918). Hierbij aandacht voor de mobilisatie, militaire begraafplaats WO I, het moederhuis, zeemijnen, de kunstschilder Gerard Jacobs en een beeld hoe Vlissingen er in 1915 uitzag. Zie bijlage!

·      Presentatie van het Open Cultuur Data Project; tekeningen Machinefabriek-Ketelmakerij Kon. Mij. De Schelde 1876-1938. Deze tekeningen zijn beschreven en met behulp van Damen Schelde Naval Shipbuilding gedigitaliseerd. Hierbij wordt gebruik van het materiaal voor bijvoorbeeld publicaties eenvoudiger en wordt archiefonderzoek gestimuleerd.
Aanvang presentaties: 11.00 en 15.00 uur

·      In het kader van Vaders Voor Lezen (i.s.m. bibliotheek ’t Spui) leest de gemeentearchivaris voor aan kinderen van 4 tot 8 jaar. Daarna gaan we op zoek naar het archiefspook. Tijd: 13.30-14.30 uur. Voor dit onderwerp aanmelden bij activiteit@spui.nl.

·      Doorlopende presentatie van foto-aanwinsten

·      Voor de bezoekers een gratis afdruk van een machinetekening van wachtschip de Noord-Brabant

Gemeentearchief Vlissingen
Hellebardierstraat 2
Tijd: 10.00-17.00 uur

·      PS; daarnaast is ook een bezoek aan de Michiel de Ruyterdag in het muZEEum aan te bevelen. 

woensdag 8 oktober 2014

Wachtschepen van de Koninklijke Marine te Vlissingen in de tweede helft van de 19e eeuw

De tweede helft van de 19e eeuw bracht grote veranderingen voor de stad Vlissingen met zich mee. Was in de jaren vijftig het voortbestaan van de marinewerf al in gevaar, in de jaren zestig werd besloten tot de opheffing. In 1868 waren de poorten gesloten. Het werfpersoneel was verhuisd naar de marinewerven te Amsterdam en Willemsoord of had ander emplooi gevonden. Ook de mariniers verlieten Vlissingen en verder was de status van vestingstad ingetrokken. Er waren ook positieve ontwikkelingen. De Nederlandse regering besloot dat Vlissingen dé doorvoerhaven van Nederland moest worden gericht op Engeland en het Duitse achterland. Om dit te kunnen realiseren werden miljoenen guldens in nieuwe havenwerken geïnvesteerd en de spoorlijn naar Vlissingen doorgetrokken. Het werd echter niet het succes waarop gehoopt werd. Het waren de Rotterdamse, en in mindere mate, Amsterdamse havens die zich ontwikkelden tot aanzienlijke doorvoerhavens. Achteraf werden en worden allerlei verklaringen gegeven voor het ‘falen’ in Vlissingen. Vanuit Rijkswege werd echter aan Holland de voorkeur gegeven boven Zeeland, dit ondanks de miljoeneninvestering. Een signaal dat de regering minder in Zeeland was geïnteresseerd als gedacht werd, wordt in de huidige literatuur nog steeds genegeerd. Het gaat dan om de aanwezigheid van een wachtschip van de Koninklijke Marine in de Vlissingse haven. Ten tijde van de marinewerf was dat meestal een fregat geweest. Naast puur defensieve taken was het wachtschip ook belast met de handhaving van de quarantaine om te voorkomen dat besmettelijke ziekten de ‘lands grens’ overstaken.

Na 1870 gaat het bergafwaarts, uiteindelijk zijn het houten zeilkanonneerboten die Vlissingen ’beschermen’. Vanaf 1876 wordt gekozen voor stoomkanonneerboten volgens het Engelse Staunch-design. Deze vaartuigen staan bekend als strijkijzers vanwege hun specifieke vorm. De hoofdbewapening bestond aanvankelijk uit een  23cm kanon, terwijl de laatste modellen zoals de Bulgia een 28cm kanon hadden. Verder waren ze uitgerust met 3-3,7 cm kanons. Over de topsnelheid moet men geen overdreven gedachten hebben, iets boven de 8 knopen was het maximum. De bemanning telde maximaal 34 koppen. Een dergelijke kanonneerboot was geen partij voor de grote buitenlandse schepen die op de Schelde voeren richting Antwerpen. Op dat moment bezat de Koninklijke Marine wel degelijk ook grote pantserschepen maar die waren alle gestationeerd te Willemsoord. Dit viel ook de bemanning van een bezoekend Russisch oorlogsschip op die hierover opmerkingen maakte. Naast het feit dat Vlissingen strategisch gelegen ligt aan de Schelde, was vanaf 1875 natuurlijk ook de scheepswerf Kon.Mij. De Schelde hier gevestigd. Een werf die ook diverse opdrachten van de marine kreeg, zowel voor het bouwen van complete oorlogsschepen als ketels en machines. Pas toen de oorlog tussen Rusland en Japan in 1904 uitbrak, kwam er weer een groter marineschip naar Vlissingen om hier de veiligheid te waarborgen.

Kuilkorvet Ajax  <oktober 1850->mei 1852
Rijksmuseum Amsterdam

Op stapel gezet door P. Glavimans op de marinewerf te Rotterdam op 13 oktober 1828, te water gelaten op 13 juni 1832, arriveert  eind oktober 1849 te Vlissingen terugkerende uit de West en op 24 april 1870 was de verkoop toegestaan. De Middelburgsche Courant schreef op 8 mei 1852 dat de Zr. Msd. Ajax eind mei of begin juni naar Hellevoetsluis zou overtaken om daar De Schelde als wachtschip af te lossen.

Fregat Sambre 1854-1866 (1)

Bron Middelburgsche Courant d.d. 8 september 1867

De Middelburgsche Courant d.d. 29 juli 1854 meldde dat het fregat Sambre liggende te Den Helder bestemd was om in Vlissingen als wachtschip dienst te doen. Zij werd vandaar gesleept door het stoomschip Amsterdam naar haar nieuwe bestemming. Dit zou haar laatste bestemming worden, want in 1866 werd zij afgedankt en in 1867 van de vlootlijst geschrapt. Pogingen haar te verkopen mislukten waarop men besloot haar van rijkswege in eigen beheer in Vlissingen te slopen. Hiervoor werden 25 arbeiders in tijdelijke dienst aangenomen.

Fregat Doggersbank 1855
De Middelburgsche Courant d.d. dinsdag 5 juni meldde dat het fregat Doggersbank te Vlissingen ontdokt was vermoedelijk om voorlopig te dienen als wachtschip op de rede. Dit voornemen is hoogstwaarschijnlijk nooit uitgevoerd.

Korvet Prins Maurits der Nederlanden 1866-1870 (2)
Op 11 augustus 1866 voer het korvet Prins Maurits der Nederlanden de Vlissingse haven binnen komende vanaf de rede. Zij was bestemd om de Sambre op te volgen als wachtschip. Op 3 april 1868 werd vanuit Vlissingen geschreven dat de Prins Maurits der Nederlanden op korte termijn zou vertrekken en worden opgevolgd door het kostschip Lynx, op dat moment gestationeerd te Rotterdam. Dat voornemen is niet uitgevoerd want de Maurits vertrok niet eerder als op 3 november 1870 richting Hellevoetsluis.

Stoom flottieljevaartuig Hector 1870-1873 (3)
Nadat de Prins Maurits der Nederlanden in 1870 Vlissingen had vervangen, moest er een opvolger komen. In de Zierikzeesche Nieuwsbode van 18 juni was al bekend gemaakt dat dit de stoomkanonneerboot Hector onder het commando van een luitenant ter zee 1e klas moest worden, maar dan wel zonder stoommachine. Die moest voor november zijn verwijderd. Op 28 oktober meldde de Middelburgsche Courant de aankomst in de Dokhaven.

Kanonneerboot No. 36 1874
In 1874 was de Hector al uit het Vlissingse straatbeeld verdwenen. De oude zeilkanonneerboot  No. 36 neemt dan tijdelijk de honneurs waar.

Kanonneerboot No. 4 1875
Eind oktober 1875 bestaat het wachtschip uit een niet met name genoemde kanonneerboot. Op dat moment is de commandant van de marinebasis Hellevoetsluis schout bij nacht R.L. de Haes in Vlissingen bezig met een onderzoek wat er nodig was aan gebouwen voor de keuring en werving aangezien de ruimten op de voormalige marinewerf moesten worden ontruimd. Het laatste natuurlijk in verband met de oprichting van de Kon.Mij. De Schelde. Verder inspecteerde De Haas ook de bewuste kanonneerboot. Als de kanonneerboot door een groter schip zou worden vervangen, kon nagenoeg in de behoefte aan accommodaties worden voorzien. Datzelfde jaar vond er een discussie plaats over de verplaatsing van het wachtschip van achter de Tonnenbrug tot voor de Tonnenbrug. De bewuste kanonneerboot werd nu aangeduid als notendop. Vanaf eind december lag het voor het telegraafkantoor.

Kanonneerboot no. 35 1876
Opnieuw was het slechts een houten kanonneerboot de No. 35 die de honneurs waarnam. Het was aan boord van dit schip dat de bekende Jacob Hobein in de aanwezigheid van de volledige bemanning afzwaaide.

Schroefstoomschip Amstel 1876
Op 1 februari schreef de Middelburgsche Courant dat het te Hellevoetsluis liggende schroefstoomschip Amstel werd uitgerust om de kanonneerboot als wachtschip te Vlissingen te vervangen. De Nieuwe Goessche Courant van 4 juli schreef dat zij op 2 september in Vlissingen zou arriveren en daar inderdaad de kanonneerboot als wachtschip zou vervangen. De laatste zou naar dan naar Hellevoetsluis afreizen. Op 16 oktober echter werd het duidelijk dat de Amstel naar Rotterdam zou gaan en dat in haar plaats een kanonneerboot van het Staunch design zou komen.

Stoomkanonneerboot 1e klasse Hydra 1876/1877-1885 (4)

Model Rijksmuseum Amsterdam

Op Zaterdag 18 November kwam de Middelburgsche Courant met het verlossende woord. Het zou de stoomkanonneerboot Hydra worden. Dit vaartuig was net in dienst gesteld te Amsterdam onder het commando van luitenant ter zee 1e klas G. van Herwaarden. Maar het liep net iets anders. Op 2 december luidde het dat de Hydra te Hellevoetsluis bleef liggen en pas richting Vlissingen zou vertrekken als daar een oorlogsschip nodig was. Begin januari 1877 werd via Utrecht de reis naar Vlissingen aangevangen. Uiteindelijk arriveerde men daar op zondag 8 april. Naast wachtschip was men daar ook verantwoordelijk voor de handhaving van de quarantaine. De Frans Naerebout werd op dat moment nog gebruikt voor het begeleiden van schepen geladen met giftige stoffen. De Hydra lag niet het gehele jaar door te Vlissingen. Zo werd ze ingezet bij grootscheepse oefeningen langs de Nederlandse westkust zonder dat zij vervangen werd! Op 15 november 1885 tenslotte werd zij vervangen door de Zr.Ms. Vos.

Het was tijdens het bezoek in juli 1877 van het Russische stoomkorvet Bogatyr dat er opmerkingen werden gemaakt over de maritieme defensie van Vlissingen. De Bogatyr had een waterverplaatsing ongeveer 10 x zo groot als de Hydra en een hoofdbewapening van 8-15cm kanons, 4-4pd kanons, 1 mitrailleur en ook nog een torpedo afvuurinrichting voor het afvuren van vier torpedo’s.  Haar bemanning telde 314 man, opnieuw factor 10 ten aanzien van de bemanning van de Hydra. Pijnlijk werd het voor de journalist toen hij in gesprek met een Frans sprekende Russische officier was en deze hem vroeg of Nederland tegenwoordig geen oorlogsschepen meer had. Niet geheel ontbloot van enig chauvinisme antwoordde de journalist dat de Nederlandse vlag nog steeds over de zeven wereldzeeën getoond werd. Zelfs de Russische tsaar zou trots zijn wanneer hij een vloot zoals de Nederlandse zou hebben. In Nieuwediep lagen pantserschepen van het allerlaatste model klaar om Nederland te verdedigen. Alleen toen stelde de Russische officier een andere vraag. Waarom lag in Vlissingen niets meer dan een kleine gepantserde kanonneerboot? De journalist kon niet anders dan de vraag beamen. Waarom was er in Vlissingen niets beters aanwezig ‘dan het zeemonster dat nu in de Vlissingsche haven verscholen ligt’ terwijl elk moment de grootste oorlogsschepen de Schelde konden opvaren en de Vlissingse haven aandoen. Pas vanaf 1904 zou er weer een Nederlands oorlogsschip van aanzienlijker kracht dan de Hydra en haar (half) zusters te Vlissingen liggen.


Bron B.J. Tideman. Memoriaal van de Marine, 1887-1880. Langsdoorsnede en bovenaanzicht van de 2e klasse kanonneerboten Havik en Dog

Stoomkanonneerboot 1e klasse Vos 1885-1893 (5)
Was de Vos vanaf 1885 als wachtschip te Vlissingen gestationeerd, in 1882 lag zij als kostschip te Vlissingen .In december werd in het openbaar de levering van vers rundvlees aanbesteed. M. Hakker schreef in voor ƒ 0,550 en H.A. Gosschalk voor ƒ 0.50 per kilo. De minister van marine moest nog besluiten wie de order kreeg.

Stoomkanonneerboot 2e klasse Geep 1889-1890 (6)
Tijdelijk wachtschip tussen 16 November 1889 en 4 maart 1890.

Stoomkanoneerboot 2e klasse Dog 1893-1894 (7)
Nadat de Dog in 1893 was uitgerust met nieuwe ketels werd zij gestationeerd te Vlissingen waar ze dienst deed tot 22 oktober 1894.

Stoomkanonneerboot 1e klasse Bulgia 1894-1907 (8)

Fotocollectie Gemeentearchief Vlissingen nr. PA733

Fotocollectie Gemeentearchief Vlissingen nr. PP719


Bron B.J. Tideman. Memoriaal van de Marine, 1887-1880. Langsdoorsnede en bovendek stoomkanonneerboot 1e klasse Bulgia

De Middelburgsche Courant d.d. 20 september 1894 meldde dat op 3 oktober de Bulgia liggende te Amsterdam, in dienst zou worden gesteld met de bedoeling de Dog als wachtschip te Vlissingen af te lossen. De Dog zou op haar beurt afreizen naar Amsterdam om daar buiten dienst te worden gesteld. Onder commando van luitenant ter zee 1e klas C.J.G. de Boeij vertrok de Bulgia op maandagmorgen 24 oktober via Hellevoetsluis naar Vlissingen.

Notes
1. Op 15 April 1816 werd de opdracht gegeven tot de bouw van het 44-kanons fregat 2e klasse Algiers , op stapel gezet op de Rijkswerf te Amsterdam op 15 April 1816, te water gelaten op 27 augustus 1821, gekoperd in1821, in dienst gesteld volgens order nr. 30 gedateerd 18 februari 1822, herdoopt  Sambre bij besluit nr. 100 gedateerd 5 April 1828, teruggebracht tot een 36-kanons fregat in 1836, aanvankelijk wachtschip te Willemsoord deed zij vervolgens dienst te Vlissingen tot 1 november 1866, het jaar daarop van de vlootlijst geschrapt en gesloopt op de marinewerf te Vlissingen. Met een waterverplaatsing van 1.461 ton en als afmetingen 163 x 42 x 22 27/11 voet en een bemanning van maximaal 300 man.
2. De Prins Maurits der Nederlanden is op 9 juni 1842 als the Atalante op stapel gezet op de marinewerf te Vlissingen, te water gelaten op 21 juli 1849, vernoemd in Prins Maurits der Nederlanden, geschrapt van de vlootlijst in 1904 en uiteindelijk verkocht in 1907. Met een waterverplaatsing van 776 ton waren haar afmetingen 36,50 x 10,30 x 4,80 meter. Als wachtschip te Amsterdam bestond in 1877 haar bewapening uit 10 middelbare 30 pond kanons en telde haar bemanning 200 koppen. Dit zal vermoedelijk in de Vlissingse tijd niet veel anders zijn geweest.
3. De juiste aanduiding voor de Hector was stoom flottieljevaartuig. Op stapel gezet op de Rijkswerf te Amsterdam op 1 mei 1858, te water gelaten op 26 juni 1859 en uiteindelijk in 1874 in het droogdok te Hellevoetsluis gesloopt. De Hector was gebouwd voor bijzondere diensten en kleine tochten buitengaats. Met haar bewapening van 4 lichte 30 pond kanons en een bemanning van 50 koppen was het opnieuw geen groot oorlogsschip. De stoomkanonneerboten die haar opvolgden, waren in feite zwaarder bewapend.
4. Op stapel gezet bij Armstrong, Newcastle, Engeland in 1872, te water gelaten in 1873, afgevoerd van de sterkte in 1906 en een jaar later te Amsterdam voor de sloop verkocht. Met een waterverplaatsing van 221 ton waren haar afmetingen 25,88 x 7,62 x 2,20 meter. Snelheid 7,5 knopen. Haar bewapening bestond uit 1-23cm kanon (in 1888 vervangen door een 21cm) and 3-3,7cm kanons.
5. Op stapel gezet bij de Nederlandsche Stoomboot maatschappij te Fijenoord op 3 september 1874, te water gelaten op 3 juni 1875, uitgerust met Stork ketels in 1892 was zij vervolgens tussen 20 oktober en 17 november belast met het toezicht op de quarantaine te Vlissingen. In 1893 van de sterkte afgevoerd werd zij verkocht in 1897.
6. Op stapel gezet bij de Koninklijke fabriek van stoom- en andere werktuigen op 20 september 1874, te water gelaten op 17 juni 1875 en tenslotte in 1922 gereed gemaakt om te worden verkocht.
7. Op stapel gezet op de Rijkswerf te Amsterdam op 2 april 1874, op 31 oktober 1874 te water gelaten en in 1927 van de sterkte afgevoerd.
8. Op stapel gezet op de Rijkswerf te Amsterdam op 21 maart 1879, op 4 december te water gelaten, afgelost op 20 juni 1907 door de Bever, zonk de Bulgia, inmiddels verbouwd tot mijnenlegger, tijdens een Duitse luchtaanval op Vlissingen op 12 mei 1940.