Totaal aantal pageviews

Posts tonen met het label Admiraliteitswerf. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Admiraliteitswerf. Alle posts tonen

zondag 23 november 2014

Het linieschip Goes gebouwd op de Admiraliteitswerf te Vlissingen in 1779-1781

In onze werkkamer hangt aan de muur een enigszins naïef aandoend maar kleurrijk schilderij van de hand van G. Brakkee. Het is geschilderd aan de hand van een prent uit 1779 en het stelt de Admiraliteitswerf in Vlissingen in dat jaar voor. Het is een gezapige voorstelling. Een schip dat in de spanten staat, een aantal scheepslieden aan het werk en op de achtergrond het -niet meer- bestaande Arsenaal, een oorlogsschip en een drietal kleinere scheepjes. De werkelijkheid ligt echter anders.

Het bewuste schilderij van G. Brakkee

Het origineel zoals zich dat bevindt in de Topografische Atlas HTA0354, zij het dat ik de sierranden en de onderstaande tekst heb weggesneden. J. Arends schreef dat hij de werf had weergegeven gezien vanuit de mastloods. Het onderschrift luidt verder 'Dit 's Zeelands ruime Werv, waar op een zeekasteel Gebouwd werd en getuigd, om fier ten krijg te vaaren.

In de 18e eeuw was de vloot van de Republiek der Verenigde Nederlanden slechts een flauwe schim van de 17e eeuwse. Door voortdurend geldgebrek werd nauwelijks nog nieuwbouw gepleegd laat staan dat schepen werden uitgerust. Dit gold ook voor de Zeeuwse admiraliteit met werven in Vlissingen, Veere en Zierikzee waarbij Vlissingen de grootste was. Bijkomend geluk was dat de Republiek niet zoals een eeuw eerder bijna voortdurend in oorlog was. Sinds stadhouder Willem III koning werd van Engeland, waren beide staten bondgenoten. Alleen ten tijde dat de prent in 1779 werd gemaakt, waren de tijden veranderd. De Republiek raakte steed meer betrokken bij de Amerikaanse Vrijheidsoorlog toen deze kolonie zich van het moederland Engeland wilde los maken. Vanuit het eiland St. Eustatius bekend als de Golden Rock werden wapens en munitie geleverd aan de opstandelingen. De Republiek koos niet de partij van Engeland toen Frankrijk dit land in 1778 de oorlog verklaarde, maar koos ervoor zich aan te sluiten bij de neutrale staten als Denemarken en Rusland. In 1780 verklaarde Engeland de Republiek de oorlog die formeel pas in 1784 eindigde. Een uitgebreid bouwprogramma moest de Republiek weer tot een belangrijke zeemacht maken. De Goes stond al op stapel toen de oorlog uitbrak, maar al snel werden nog twee grote schepen op stapel gezet. 

Op zowel de prent als het bewuste schilderij staat een schip in aanbouw afgebeeld met op de achtergrond nog twee schepen, waarvan minimaal een ook een oorlogsschip is. Jammer genoeg worden geen namen genoemd. Betekent dit dan dat het een anoniem geheel wordt? Neen, de rekeningen van de Vlissingse equipagemeester Maarten Haringman bieden uitkomst.

In 1779-1780 was Haringman verantwoordelijk voor de uitrusting van vijf grote en twee kleinere oorlogsschepen. Het oorlogsschip dat op de achtergrond bij het Arsenaal zichtbaar is, is vermoedelijk een van deze vijf schepen. Dit waren de Zierikzee (1733), Zuijdbeveland (1746), St. Maartensdijk (1756), Brunswijk (1761) en Walcheren (1767). Op de St. Maartensdijk na waren deze schepen alle te Vlissingen gebouwd; tussen haakjes het bouwjaar. 

Detailopname van het schip op stapel staande

Model NG-MC-265, Rijksmuseum Amsterdam, Originele url

Volgens het Rijksmuseum stelt dit model de Zeeland voor, gebouwd in 1782 op de Vlissingse Admiraliteitswerf. Het model is afkomstig uit de Marine Modellenkamer en is destijds beschreven door Obreen als zijnde de Stad Goes uit 1781. De Goes behoorde tot het vierde charter met als afmetingen van 154 x 43 x 19 voet, een bewapening van 50-58 kanons en een bemanning van 300 koppen. In 1781 was Stavorinus haar commandant. In 1797 werd het schip tenslotte gesloopt.

Haringman vermeldt ook de aanbouw (in 1780) van een nieuw oorlogsschip genaamd Goes, dit is het schip wat op het schilderij in aanbouw was. De bouw van zo'n schip was een bron van inkomsten voor de plaatselijke middenstand en nijverheid. Zo kreeg Berbera Flaman ƒ 03:06:03 voor het naaien van vlaggen, de weduwe Cappelle ƒ 03:18:08 voor het leveren van katoen voor dezelfde vlaggen en Pieter Steve kreeg ƒ 64:07:00 voor het gieten van metalen harten voor de blokken. De Goes werd gebouwd door meester timmerman Jacobus van Drongelen. Dezelfde Van Drongelen ontwierp ook de 1780-1781 aangelegde kielkade. De tewaterlating op 21 mei 1781 ging onder het genot van enige wijn, zo werden 8 stoop [=192 liter] wijn geleverd. Bij het dopen op 23 December 1780 waren 21 bodders wijn geleverd. In deze jaren werden nog twee oorlogsschepen op stapel gezet.  Hiervoor was zelfs de aanleg van een extra scheepshelling nodig. Het betreft de Zeeland (172 x 46 6/11 x 21'5" voet) en de Tholen (159 x 42 x 16 voet), beide gebouwd door meester timmerman Willem Udemans afkomstig van de V.O.C. werf te Middelburg. Dat in Vlissingen gebrek was aan genoeg deskundig personeel blijkt uit het geregeld inzetten van personeel van de V.O.C. werf. Sterker nog, in 1781  werden respectievelijk 15 en 22 timmerlieden afkomstig uit Groningen en de Ommelanden naar Vlissingen gehaald.

Historisch Topografische Atlas Gemeentearchief Vlissingen cat.nr. 1411
Een deel van de Staatse vloot liggende ter hoogte van Rammekens rond 1783, De Goes wordt aangeduid met de letter B

vrijdag 20 december 2013

Schepen gebouwd op de marinewerf te Vlissingen tussen 1817 en 1861

Vlissingen heeft zoals al vaak gezegd een rijke maritieme historie en waarin de marine een grote rol speelde. Weliswaar is de rol in de loop der tijden kleiner geworden maar er is nog steeds een marinekazerne aanwezig. Wanneer alles naar wens loopt, staat er over enkele jaren ook de marinierskazerne binnen de gemeentegrenzen.

Oorlogsschepen zijn door de eeuwen heen in Vlissingen gebouwd. Eerst op de Admiraliteitswerf later op de
Marinewerf en vanaf 1875 door de Kon.Mij. De Schelde. De laatste particuliere scheepswerf nam de opstallen, het dok van Perry en de hellingen over van de voormalige marinewerf. Tussen 1817 en 1861 werden op de marinewerf 61 schepen gebouwd voor de Koninklijke Marine inclusief het daaronder ressorterende Loodswezen. (1) Het fregat De Rijn echter was in feite geen nieuwbouw. Een bestaand zeilschip werd omgebouwd tot raderstoomschip. Dit experiment mislukte echter en zij werd teruggebouwd tot zeilschip. De marinewerf bestond in feite uit twee werven, de constructiewerf voor nieuwbouw en de uitrustingswerf (in feite de voormalige admiraliteitswerf) voor het optuigen van de schepen etc. Het Dok van Perry uitkomende op de Dokhaven werd gebruikt voor nieuwbouw, verbouw en reparaties. Ondanks haar kortstondige bestaan is de Vlissingse marinewerf van niet weg te cijferen betekenis geweest. Naast experimenten met stoomvoortstuwing werd ook een deel van de drijvende batterijen als bijvoorbeeld de Draak hier gebouwd en geëxperimenteerd met bepantsering. Een deel van de halfmodellen etc. die op de Vlissingse marinewerf vervaardigd zijn, zijn bewaard gebleven in het Rijksmuseum te Amsterdam. Via de website van dit museum kan men zich hiervan een goed beeld vormen. Onder de hoofdingenieurs die werkzaam zijn geweest op deze werf moeten Turk en Tideman maar bijvoorbeeld ook Tromp genoemd worden. De zogenaamde roeiboten zijn vermoedelijk roeikanonneerboten geweest.

1. De Courier, 18-kanons brik, op stapel gezet 11 juli 1817
Mogelijk gebouwd op een van de hellingen van de voormalige admiraliteitswerf en niet op de nieuw aangelegde hellingen in de Dokhaven.
2. De Zeeuw, 80-kanons linieschip, op stapel gezet 11 juli 1817
3. Euridice, 36-kanons fregat, gebouwd 1820-1821; zie elders op dit weblog de tekst over de wachtschepen te Vlissingen in de eerste helft van de 19e eeuw
4. Koning der Nederlanden, 84-kanons linieschip, op stapel gezet 11 juli 1817
5. No. 3, boot, gebouwd 1821
6. Mercuur, werkvaartuig, gebouwd 1821
7. No. 11, roeiboot, gebouwd 1821
8. De Rijn, 54-kanons fregat, gebouwd 1825-1832
9. Panter, 12-kanons brik, op stapel gezet 24 juni 1823
10. No. 6, boot, gebouwd 1823
11. No. 9, boot, gebouwd 1823
12. Nehalennia, 28-kanons korvet, op stapel gezet 18 december 1824
13. Suriname, stoomschip, op stapel gezet 8 april 1826
14. Windhond, 8-kanons brik, op stapel gezet 7 juni 1826
15. Boreas, 28-kanons korvet, op stapel gezet 31 juli 1828
16. Amphitrite, 32-kanons korvet, op stapel gezet 28 februari 1828
17. Meermin, 18-kanons brik, op stapel gezet 29 augustus 1828
18. No. 15, roeiboot, gebouwd 1828
19. No. 12, roeiboot, gebouwd 1828
20. No. 14, roeiboot, gebouwd 1828
21. No. 13, roeiboot, gebouwd 1828
22. No. 13, boot, gebouwd 1828
23. No. 31, gebouwd 1830
24. No. 32, gebouwd 1830
25. No. 29, gebouwd 1830
26. No. 30, gebouwd 1830
27. No. 33, gebouwd1830
28. No. 34, gebouwd 1830
29. No. 24, gebouwd 1830
30. Snelheid 14-kanons brik, op stapel gezet 4 juni 1831
31. De Ruyter, 1e klasse fregat, op stapel gezet 20 augustus 1831
32. Cerberus, stoomoorlogsschip, op stapel gezet 28 februari 1834
33. Koerier, 18-kanons brik, op stapel gezet 13 juni 1835
34. Etna, stoomoorlogsschip, op stapel gezet 18 september 1837
35. Lynx, 18-kanons brik, op stapel gezet 13 juni 1838
36. Heldin, 20-kanons korvet, op stapel gezet 31 juli 1839
37. Sperwer, 18-kanons brik, op stapel gezet 13 mei 1840
38. Dolfijn, 5-kanons schoener brik, op stapel gezet 31 mei 1842
39. Prins Maurits der Nederlanden, 26-kanons korvet, op stapel gezet 9 juni 1842
40. Adder, 3-kanons schoener, op stapel gezet 4 september 1844
41. Cachelot, 12-kanons brik, op stapel gezet 4 september 1844
42. Vlinder, kotter annex werksloep, op stapel gezet 4 november 1844
43. Schorpioen, 2e klasse schoener, op stapel gezet 13 juni 1845. Volgens de krant 9 mei.
44. Saparoea, 4-kanons schoener brik, op stapel gezet 18 december 1845
45. Padang, 4-kanons schoener brik, op stapel gezet 20 februari 1849
46. Atalante, schoener, op stapel gezet 29 april 1850
47. Prinses Amelia, schroefstoomkorvet, gebouwd 1853
48. Evertsen, stoomfregat 1e klasse , op stapel gezet 26 oktober 1854
49. Zeeland, stoomfregat 1e klasse , op stapel gezet 28 februari 1856
50. Soembing, schoener, op stapel gezet 17 mei 1856
51. Vesuvius, schroefstoomschip 4e klasse, op stapel gezet 8 oktober 1857
52. Vuurschip, op stapel gezet 9 januari 1858
De Middelburgsche Courant gedateerd Donderdag 19 augustus 1858 vermeldde dat in de avond van de maandag daarvoor de testen met de verlichting succesvol waren. Het lichtschip was bestemd om op de positie Noord Hinder te worden gestationeerd.
53. Adolf Hertog van Nassau, 51-kanons schroefstoomfregat, op stapel gezet 4 december 1858
54. Haarlemmermeer, schroefstoomschip annex flotillieljevaartuig, op stapel gezet 9 juli 1859
55. Leeuwarden, schroefstoomschip 1e klasse, op stapel gezet 6 december 1859
56. Curacao, schroefstoomschip1e klasse, op stapel gezet  14 juli 1860
57. Den Briel, schroefstoomschip 4e klasse, op stapel gezet 14 maart 1861
58. Aart van Nes, schroefstoomschip 4e klasse, op stapel gezet 6 april 1861
59. Loodskotter No. 7,
60. Pro Patria, 15 April 1857 op stapel
Dit was een zogenaamd defensievaartuig in 1857 op stapel gezet en in 1858 voltooid. De Middelburgsche Courant gedateerd Dinsdag 2 November 1858 vermeldt dat toen zij de zaterdagmiddag daarvoor de Dokhaven verliet in aanvaring kwam met de hoogaars van schipper A. Bootsgezel en waarbij de laatste zonk. De marine schoot met een lichter te hulp en wist de hoogaars te bergen en op de helling in de voorhaven te brengen voor reparaties. Overigens is het de vraag of dit defensievaartuig identiek is aan het inundatievaartuig wat in dezelfde periode gebouwd zou worden.
61. Loodskotter No. 3

Noot
1. Stadsarchief Gemeentearchief Vlissingen (inv.no. 5533). Lijst gedateerd 12 December 1875 opgesteld door een medewerker van de Kon.Mij. De Schelde. Als bron gebruikte hij de naamborden die op de zolder werden aangetroffen.

Aangepast 26 juni 2014 20:23 link Cerberus

donderdag 15 augustus 2013

Het gemeentearchief heeft een aantal maanden geleden meegewerkt aan de totstandkoming van een video over Vlissingen als admiraliteitsstad. De video is gemaakt door de Koninklijke Marine en te zien via onderstaande VLISSINGEN ADMIRALITEITSSTAD

maandag 15 juli 2013

De kielkade of kielplaats uit 1780

Gemeentearchief Vlissingen HTA0457 rond 1800
De Gecommitteerde Raden van de Zeeuwse admiraliteit wilden op 10 november het maken en heien van de beschoeiing van het droge dok aanbesteden. Die aanbesteding vond plaats in ‘s Lands Dokhuis te Vlissingen waar ook het droge dok lag. De aannemer die het laagste bod deed was verzekerd van de opdracht aldus de Middelburgsche Courant van 9 November 1780. Een paar maanden eerder hadden de raden in hetzelfde dokhuis andere werkzaamheden aanbesteed namelijk het maken en stellen van 200 voet beschoeiing met een kielplaats gelegen aan de westkant recht tegenover het Lands Arsenaal. De voorwaarden en tekeningen waren in te zien bij de waarnemend dokmeester Poley. De aanleg van een dergelijke kielplaats ook wel bekend als kielkade is opvallend. Normaliter werd dit alleen gedaan als er ter plaatse geen droogdok beschikbaar was. En dat was wel het geval in Vlissingen, namelijk het Perry-dokje. Datzelfde dokje waarover sprake is in Middelburgsche Courant van 10 November 1780. Alleen het functioneerde in 1780 al niet meer. In de achttiende en begin negentiende eeuw kwamen geregeld plannen naar voren om het droogdokje te herstellen echter zonder succes totdat het in 1836-1837 grondig werd aangepakt en weer bruikbaar werd. De kielplaats werd in 1780 wel degelijk aangelegd en gebruikt tot in de jaren twintig van de negentiende eeuw. 

Tot in 1869 tonen kaarten ons aan waar het lag, inderdaad recht tegenover het nu niet meer bestaande arsenaal voor de ook al niet meer bestaande Oostkerk annex gieterij. Daar waar nu een parkeerplaats langs de Koningsweg ligt met als begrenzing een muurrestant van de Oostkerk lag de kielplaats. Op sommige kaarten staat zelfs de aanduiding kielkade geschreven. En bij eventuele twijfel, op deze en andere kaarten staan zelfs de drie blokjes die verwijzen naar een beschrijving van Tideman. 

Gemeentarchief Vlissingen HTA 1084.
Afkomstig uit Madou, J. Vues des Pays-Bas.
B.J. Tideman legde in 1861 uit wat kielen was en waarvoor het gedaan werd. Namelijk het met behulp van takels op een scheepszijde trekken van een schip zodat het onderwaterschip kon worden geïnspecteerd, gekalfaat, gekoperd en gerepareerd. Van te voren werd het schip kielklaar gemaakt. Dat houdt onder meer het lossen van de lading in en verwijdering van de tuigage. Heel belangrijk was dat in de scheepszijde waarop het schip kwam te rusten alle poorten goed gesloten waren en dat alle openingen waren dicht gestopt om te voorkomen dat er water kon binnenstromen. De pompen werden schuin geplaatst klaar voor gebruik om het ruim leeg te pompen nadat het schip omver was getrokken. Voor het kielen gebruikte men of kiellichters of de kielkade. Het laatste is een walinrichting langs de bestaande beschoeiing. De Vlissingse kielkade bestond uit drie putten. De eerste en de derde waren tegen de beschoeiing aangelegde, de tweede wat meer landinwaarts. In de tweede kwam namelijk het onderblok voor de grote mast te rusten. De eerste en derde werden gebruikt voor de fokkemast. De keuze welke put gebruikt werd, had te maken met het feit of het schip over bakboord of over stuurboord werd gehaald. In de put voor de grote mast kon desgewenst een mast dienende als ophouder worden gezet. Tideman was voorstander van het gebruik van een kielkade boven een kiellichter zolang de kade in goede staat verkeerde. Oude kielkaden konden een gevaar opleveren omdat een eventuele verrotting van de palen niet zichtbaar was. Mossel beschreef in 1859 het daadwerkelijk kielen op de Vlissingse werf uitvoerig. De putten of kielbakken hadden een diepte van 2 meter en een breedte van een meter. De lengte bedroeg een kwart van de kade. De lengte van de kade moest minimaal gelijk zijn aan het grootste schip dat men op de werf kon verwachten. In het geval van Vlissingen waren dat linieschepen met een maximale lengte van 58 meter. Achter elke put waren twee spillen opgesteld. In Vlissingen waren dat kaapstanders waarvan het onderstel in een op de grond vastgemaakt spoor draaiden. 

Ook de oud kapitein ter zee C. van der Hart beschreef in 1855 de risico’s van het gebruiken van een kielkade. In april 1829 meldde hij zich als eerste officier op de marinebrik Irene met als bestemming West-Indië. Het schip werd op de Vlissingse marinewerf uitgerust voor de reis, maar de Irene moet eerst nog worden gekield. Ook Van der Hart wees er op dat het gebruik van een kielkade alleen plaatsvond bij gebrek aan een droogdok, dus het Perry-dokje was in die tijd inderdaad niet bruikbaar. De Irene werd echter zover op haar zij getrokken dat zij vol met water liep. Onmiddellijk pompte men haar leeg en werd het kielen herhaald zij het wel zorgvuldiger. Ondanks het leegpompen was het onder water staan  niet bevorderlijk voor de leefomstandigheden aan boord. Van der Hart schreef namelijk dat de bemanning ‘gedurende de reis in een meer vochtigen dampkring’ moesten leven dan de bemanningen van andere schepen. In september dat jaar was de Irene gereed voor het vertrek naar de West. 



Ron van Maanen, 17-7-2013
Ron van Maanen, 17-7-72013




zondag 7 juli 2013

De voormalige Oostkerk

Grenzend aan de parkeerplaats is deze muur het laatste restant van de Oostkerk staande aan de oostzijde van de Dokhaven en de Onderstraat. Tussen 1650 en 1654 werd haar voorganger gebouwd. Op 14 januari 1749 ging dit gebouw samen met het arsenaal (ook bekend als ‘s lands zeemagazijn) door brand verloren. In 1752 werd een nieuwe kerk gebouwd.


Gemeentearchief Vlissingen PP722 circa 1905

Op 11 november 1807 ging de stad Vlissingen met haar grondgebied over in Franse handen en nam de Franse marine de Oostkerk in gebruik als magazijn. Vanwege de Franse aspiraties om zowel Vlissingen als Antwerpen verder in te richten als maritieme uitvalshavens voor de invasie van Engeland veroverden in 1809 Engelse troepen Vlissingen. Opnieuw ging het pand in vlammen op. Alleen de muren resteerden nog toen in 1812 het pand werd herbouwd als magazijn.


De Nederlandse marine nam in 1814 de werf in Vlissingen in gebruik. Vanaf 1815 doet het pand als magazijn no. 2 opnieuw dienst. Op de drie verdiepingen werden kabels en ander touwwerk en verder ankers en kettingen opgeslagen. Na het opheffen in 1869 van de marinewerf opgeheven, nam in 1875 de Kon. Mij. De Schelde het complex inclusief dit magazijn over. In de daaropvolgende decennia volgde een ingrijpende verbouwing, waarna het gebouw vanaf 1899 dienst deed als gieterij.


Gemeentearchief FA47426 anno 2012

Na sloop van de opstallen resteert vandaag de dag dit restant muur staande aan de achterzijde van de parkeerplaats langs de Koningsweg.

dinsdag 2 juli 2013

De voormalige marinesluis

De aanleg van de Dokhaven tussen 1609 en 1614 vereiste ook een nieuwe toegang tot de Westerschelde. Hiervoor werd gebruik gemaakt van het bestaande tracé van een stadsgracht waarin een sas of sluis werd gelegd. Die sluis ter hoogte van de Palingstraat was nodig vanwege de eb-vloed hoogteverschillen. Bij de vergroting van de Dokhaven werd tevens een nieuwe grote sluis aangelegd. Op 30 mei 1693 waren de werkzaamheden voltooid. Nauwelijks vijftig jaar later (1744) was de Dokhaven niet meer bruikbaar veroorzaakt dor een ernstige verzakking van de sluis. In 1753 werd deze vervangen. Enkele tientallen jaren later werden de sluisdeuren vervangen en de Dokhaven opnieuw uitgediept. Bij de Engelse aftocht in 1809 werd de sluis gedeeltelijk opgeblazen. De Fransen herstelden de schade en in 1812 waren Dokhaven en sluis weer bruikbaar. Ook in de negentiende eeuw ontkwam men niet groot onderhoud. Zo werd bijvoorbeeld in 1848 de vloer van de sluis gewijzigd in een omgekeerd hardstenen gewelf.

Gemeentearchief Vlissingen PP1324

De toegang inclusief sluis hebben vanaf het begin gezorgd voor een probleem. Debet hieraan was de vorm van de marinehaven (ook wel aangeduid als voorhaven) die voor de sluis weer uitwaaierde met als gevolg ongewenste golfvorming en windinvloeden. De voorhaven slibte continue dicht. Toen in 1814-1815 de marinewerf te Antwerpen werd opgeheven gaf dit problemen met het overbrengen van de linieschepen naar de Dokhaven. Met man en macht en het gebruik van baggerschepen slaagde men erin om op 9 mei 1815 met het middaggetij het linieschip Pulsit (74 kanons) zonder ongelukken binnen te loodsen de Dokhaven in. Dezelfde avond werd met eb al het mogelijke gedaan om de marinehaven verder uit te diepen. Een dag later werd met om 14.00 uur het zware linieschip Tilsit (80 kanons) met hoog water binnengehaald. Kanttekening hierbij was dat het toen de derde vloed na de nieuwe maan was en dus in Zeeland de hoogste gierstroom. Gierstroom of giertij is Zeeuws voor springtij waarbij sprake is van het grootste hoogteverschil tussen eb en vloed. Dit uitbaggeren van de marinehaven en de Dokhaven bleef noodzakelijk. Zo besteedde de minister van marine in September 1859 dit werk aan. Jacob. Filis uit Vlissingen nam de opdracht aan om circa 7.000 kubieke meter grond uit beide havens te verwijderen. Hij mocht hiervoor wel de rijks stoombaggermolen gebruiken.

De aanleg van het kanaal van Walcheren betekende in feite een doodsteek voor de voormalige marinehaven en na 9 september 1874 was het ook niet meer mogelijk om door te varen naar de Schelde. De Dokhaven en het bewuste kanaal mondden uit in de Westerschelde via de nu nog bestaande toegang voorzien van een sluizencomplex. Deze sluizen zijn overigens sindsdien aangepast aan de eisen van de tijd. Toch was de marinehaven nog niet uit beeld als toegang naar de Westerschelde en bestonden er plannen deze te verbeteren. De bedoeling was om twee geschikte toegangen tot de Westerschelde te verkrijgen.


Gemeentearchief Vlissingen FA02661

Tussen 1876 en 1880 werd zij verbreed, deels verlegd en de oude sluis ingericht als een schutsluis. In 1877 besteedde Rijkswaterstaat het maken en vervolgens inhangen van houten deuren voor het buitenhoofd en de aanleg van een dubbele draaibrug over de sluis aan. De sluis moest geschikt zijn voor het invaren van schepen met de afmetingen 120 x 17,25 x 6 meter. Eind 1882 verzocht De Schelde de sluis in te richten als droogdok. Dit verzoek wordt echter afgewezen door de minister van Waterstaat ‘vanwege gewichtige bezwaren van technische aard.’ Wat die bezwaren inhouden, wordt niet vermeldt. Negen jaar later echter overweegt hetzelfde ministerie het verzoek. Duidelijk was geworden dat de sluis niet geschikt was als reservesluis dat wil zeggen een tweede toegang tot de Westerschelde. Een herinrichting tot droogdok had veel meer zin. Er gebeurde echter niet veel wat ook in de Tweede Kamer in 1893 tot vragen leidde.


Gemeentearchief Vlissingen HTA1214

 Tot aan 1883 toe was veel geld aan de sluis gespendeerd maar was deze nog steeds niet voltooid en ook niet meer gebruikt. Sterker, er was aan de buitenzijde van de sluisdeuren zelfs een dam gelegd. Het argument was dat het gebruik als schutsluis te gevaarlijk was. Het binnenvaren van schepen veroorzaakte namelijk grote golfslag en deining. Men besloot daarom de buitendeuren te sluiten met kettingen om klapperen te voorkomen. Doordat er geen doorstroming meer mogelijk was, vormde zich een dikke sliklaag voor de deuren. Het besluit om de dam op te werpen was dan ook gauw genomen. Men had zo én een goede waterkering én de vervanging van de ebdeuren kon worden uitgesteld. 

Overigens wordt dan ook uitgelegd waarom de marinehaven in feite ongeschikt was, in ieder geval voor stoomschepen. De lengte van 280 meter lengte bood geen ruimte voor noodmanoeuvres met stoomschepen. De havendammen liepen in de verkeerde richting dus geen rustig water (weinig tot geen golfslag). De ongunstige ligging van de havenmond in het zuidwesten zorgde al bij enige wind voor veel golfslag iets wat verder werd beïnvloed door de trechtervorm van de havenmond van 40 meter tot zo’n zeventig meter breedte voor de sluis.

Toch kwam later opnieuw de aanpassing van de sluis tot droogdok ter sprake. In 1918 wilde men deze geschikt maken voor het passeren van schepen met een breedte van 24-25 meter. De Scheldecommissie had dit zes jaar eerder geadviseerd. Blijkbaar is op een gegeven moment toch de dam verwijderd en de deuren geopend, want in 1922 werd de sluis eenmalig gebruikt voor het schutten van een baggermolen. De Schelde bestudeerde in 1936 twee opties, namelijk het aanleggen van een droogdok op het zogenaamde Eiland of aanpassing van de marinesluis. Het in gebruik zijnde dokje van Perry was te klein voor de bouw van moderne onderzeeboten. Gekozen werd uiteindelijk voor het Eiland. 


De marinesluis werd in de loop van de twintigste eeuw gedempt. Ter plaatse is nu de heliport en deels de doorgaande weg naar het centrum. Van de sluis resteren nog een tweetal sluishoofden en het stilstaande doodlopende water ervoor is het laatste restant van deze verbinding tussen Dokhaven en de Westerschelde.

foto's Ron van Maanen

zondag 30 juni 2013

De Vlissingse admiraliteitswerf

In 1609 gaf de stad opdracht tot het graven van de Ooster- of Dokhaven, dit op aandringen van prins Maurits. Via de oude stadsgracht en een sas of sluis stond de haven in verbinding met de Schelde. In 1614 waren de werkzaamheden gereed en op 9 juli in gebruik genomen. Vandaag is de havenmond niet meer zichtbaar in het landschap. De dijk is doorgetrokken. Direct hierachter is een glooiend grasveld met daarop het monument voor de landing van de Britse, Franse en Nederlandse commando’s op 1 november 1944. Hier moet ongeveer de havenmonding of voorhaven worden gesitueerd. De gracht die deze voorhaven verbond met de Dokhaven is inmiddels ook nagenoeg geheel gedempt. Er resteert nog een klein stukje doorlopend water waar ook de hoofden van de voormalige marinesluis nog zichtbaar zijn. In 1869-1873 werd het Kanaal door Walcheren aangelegd en de Dokhaven hierop aangesloten waardoor een nieuwe verbinding met de Schelde ontstond. Nog steeds kan zo van en naar de Schelde worden gevaren. Wel moet dan eerst de brug in de Koningsweg worden opengezet en moet er geschut worden in het sluizencomplex nabij het station.

De voormalige toegang tot de marinehaven gezien vanaf de dijk richting de Schelde. Links en rechts zijn nog paalhoofden zichtbaar.
Situatie 30-06-2013.


foto Ron van Maanen






Vanaf de dijk richting het commandomonument. Hier bevond zich de feitelijke marinehaven ook wel aangeduid als voorhaven. Waar rechts op de de foto gebouwen staan, moet de admiraliteitswerf worden gesitueerd. Situatie 30-06-2013


foto Ron van Maanen





Vanaf het commandomonument richting de dijk gekeken. Op deze plaats was de marinehaven gelegen, via de marinesluis toegang gevende tot de Dokhaven. Situatie 30-06-2013.


foto Ron van Maanen






Aan het eind van de Dokhaven bevond zich onder meer de werf van de Zeeuwse Admiraliteit. Door de vergroting van de Dokhaven uitgevoerd tussen 1688 en 1693 verhuisde deze werf noodgedwongen. Vanaf dan is zij gelegen aan de oostzijde van de voorhaven die toegang gaf tot de Schelde. De Zeeuwse admiraliteit had meerdere werven, die van Vlissingen was de grootste. De Vlissingse werf was een combinatie van constructie- en equipagewerf oftewel nieuwbouw en uitrusting. Van de nieuwbouw moet men geen hoge verwachtingen hebben. Vanwege geldgebrek werden in de 18e eeuw nauwelijks nog schepen gebouwd c.q. uitgerust. Het reilen en zeilen van de werf was de verantwoordelijkheid van de equipagemeester. Deze hield alle inkomsten en uitgaven in een rekening bij en legde later hiervoor verantwoording af. Als we de rekening over 1793-1794 van Johannes Pruijst er op na slaan, krijgen we een idee welke oorlogsschepen Vlissingen als thuishaven hadden. In die jaren waren dat de Zuid-Beveland (1746), Walcheren (1767), Goes 1781), Zeeland (1782), Tholen (1782) en de Wilhelmina (1787) alle gebouwd te Vlissingen en verder nog de aangekochte schoener Dolfijn (1781), kotter Zeemeeuw (1781) en brik Meermin (1785).

Gemeentearchief Vlissingen HTA 354. Prent 1779.

Op de werf waren meerdere scheepshellingen aanwezig. Rond 1781 werd opnieuw een aangelegd. De Gecommitteerde Raaden van de Zeeuwse Admiraliteit maakten in de Middelburgsche Courant d.d. 10 mei 1781 bekend dat zij op maandag de 21e om 11.00 uur de aanleg van een scheepshelling op de Vlissingse admiraliteitswerf aan de laagst biedende aan wilden besteden. De bedoeling was op deze helling een schip van 50 kanons te bouwen. De voorwaarden konden bij de griffie worden ingezien of bij equipagemeester Haringman.

Gemeentearchief Vlissingen HTA449
In 1795 valt Frankrijk de republiek binnen en worden de eeuwenoude admiraliteiten opgeheven. Dat betekent echter niet het einde voor de werf. In ieder geval in 1803-1804 was de werf nog volop in bedrijf. De Franse keizer Napoleon beoogde een invasie in Engeland en een deel van de benodigde schepen werden gebouwd c.q. uigerust in Vlissingen. Onder het commando van de voormalige Nederlandse marine officier Christiaan Antonie Verhuell nu in Franse dienst voer het Vlissingse flottielje in twee gedeelten met als eindbestemming Boulogne en Ambleteuse. Van de beoogde invasie kwam echter niets terecht. Was in 1795 nog tussen Frankrijk en de Bataafse Republiek afgesproken gezamenlijk de stad Vlissingen te besturen, in 1807 veranderde dit. Als gevolg van het verdrag van Fontainebleau van 11 november 1807 werd de stad afgestaan aan Frankrijk. Op 21 januari 1808 werd dit geformaliseerd en maakte Vlissingen deel uit van het arrondissement Eeklo, departement Schelde.

Dat hiermee geen einde kwam aan het gebruik van de werf toont onderstaande plattegrond uit augustus 1807 aan. Er bestaan op dat moment naast de mastloods vier scheepshellingen waaronder een sleephelling. Op stapel staan drie schepen, de le Vautour, de la Fidelle en de le Royal de Hollandais. Het eerste schip was een in 1806 op stapel gezette korvet brik, die na te zijn afgebouwd in 1813 is vergaan. Het tweede schip was het in 1807 op stapel gezette fregat la Fidèle, dat in 1809 door de Engelsen is veroverd en meegenomen naar Engeland. In 1812 is het in Engelse dienst als de HMS Laurel vergaan. Het derde schip tenslotte is het in 1806 op stapel gezette linieschip le Royale (Engelse bronnen claimen Royal-Hollandais) dat op 17 juli 1809 onafgebouwd door de Engelsen is veroverd, gedemonteerd en meegenomen naar Engeland. In juni 1810 op de Woolwich Dockyard opnieuw op stapel gezet, werd zij als de HMS Chatham op 14 februari 1812 te water gelaten en op 25 april in dienst gesteld. Haar loopbaan was van korte duur. Het gebruikte hout voor haar bouw was van slechte kwaliteit en binnen enkele jaren werd het schip opgelegd en na vijf jaar al weer verkocht. De linieschepen die na 1814 werden overgenomen door de Koninklijke Marine en die tijdens de Franse tijd met slechte kwaliteit hout gebouwd waren, kampten met hetzelfde probleem.

Overigens claimen Engelse bronnen dat zij op 17 augustus 1809 naast de le Royal Hollandais en de la Fidèle verder een op stapel staande brik en fregat hebben vernietigd. Bij het terugtrekken werd de Dokhaven onbruikbaar gemaakt en gebouwen als het Arsenaal etc. in brand gezet. Nadat de Engelse troepen waren vertrokken, begonnen de Fransen met de wederopbouw.

Na 1814 veranderde de bestemming van de voormalige admiraliteitswerf van constructiewerf in uitrustingswerf. Als gevolg van een internationaal verdrag werd de nieuwe marinewerf in Antwerpen gesloten en afgebroken. De nieuwe marine constructiewerf werd gevestigd aan het einde van de Dokhaven. Hier werden vijf nieuwe hellingen (waaronder een sleephelling) aangelegd. Na de opheffing van de marinewerf in 1868 werden deze hellingen in 1875 door de Mij. De Schelde in gebruik genomen voor nieuwbouw. De uitrustingswerf werd ook overgenomen door De Schelde en behield haar taak. Inmiddels zijn op dit terrein Damen Schelde Naval Shipbuilding en Amels Vlissingen jachtbouw gevestigd. De voormalige marinehaven inclusief de sluis toegang gevende tot de Dokhaven zijn onder het asfalt verdwenen.