Bezoekers staan er niet bij stil wat er achter de schermen van een archief gebeurt. Je kan thuis al het nodige vooronderzoek verrichten via de computer of je doet dat ter plaatse op de studiezaal. Maar in beide gevallen is er al heel wat werk verricht door de mensen op het archief. Archieven zijn toegankelijk gemaakt via inventarissen of bijvoorbeeld indexen op persoonsnamen. Veelal is dit alles ook op het internet beschikbaar via de eigen website van het archief of via www.archieven.nl Maar met het beschrijven van archiefstukken houdt het niet op. Net zoals je de kozijnen van een huis verft om het hout tegen de weersomstandigheden te beschermen, doen ook wij aan materiële verzorging. Je wilt thuis geen rottend hout en wij willen geen gescheurde of beschimmelde archiefstukken in ons depot hebben!
Een van de belangrijkste voorwaarden is het hebben van een archiefbewaarplaats met klimaatvoorziening. Het mag niet te droog maar ook niet te vochtig, niet te warm en niet te koud zijn. Speciale software stuurt constant het klimaat bij. Daar hoeven wij niet veel aan te doen. Maar daar blijft het niet bij.
Archiefstukken worden ook ontdaan van de zogenaamde hecht- en bindmiddelen als nietjes, paperclips en elastiekjes. De eerste twee hebben de neiging om te roesten en de laatste drogen uit én erger nog de restanten blijven aan het papier plakken. Plakband heeft ook van die nare eigenschappen. De naam verraadt het al: het plakt. Ook plakband heeft na verloop van tijd de neiging om of uit te drogen óf en dat is vele keren erger als het ware op te lossen in een vieze substantie. In het eerste geval blijven bruingekleurde plekken achter, in het tweede geval een substantie die veel beter plakt dan het originele plakband! Een ramp omdat dit nauwelijks te verwijderen is, behalve dan met aceton (even voorkomen dat je ‘high’ wordt) of soms met een warme föhn.
De archiefstukken kunnen ook gewoon vies zijn. Met speciale sponzen wordt het papier schoon ‘geboend’ (=droog reinigen) en het vuil weggeveegd met zachte borstels of met speciale stofzuigertjes.
Het meest vervelende is schimmel, die ook gezondheid ernstig kan aantasten. Gammastraling of vergassen moet dan voorkomen dat de schimmel actief blijft of wordt.
Een deel van de materiële verzorging doen wij zelf. Wij gebruiken zuurvrije en weekmakersvrije verpakkingsmaterialen als mappen, dozen en omslagen. Voor kaarten, tekeningen en prenten gebruiken we vaak Melinex. In plaats van een ballpoint wordt met potlood geschreven om vlekken door lekkende inkt te voorkomen. Kleine scheurtjes e.d. worden in eigen beheer gerepareerd. Als het niet anders kan, wordt het werk uitbesteed aan een restauratie-atelier. Hier worden de grote (re) scheuren gerepareerd, ontbrekende delen/gaten aangevezeld of versterkt bijvoorbeeld met Japans papier.
Dus wanneer je de volgende keer op de studiezaal komt en je krijgt een brief verpakt in blauwgekleurd papier of een charter (brief op perkament) in een soort doorzichtig plastic (Melinex) dan weet je nu waarom.
Totaal aantal pageviews
dinsdag 29 april 2014
donderdag 10 april 2014
Stenen documenten: het graf van ingenieur Martin
Graf van ingenieur Martin en zijn gezin op de gemeentewerf aan de Vredehoflaan
Fotocollectie gemeentearchief Vlissingen FA 48211. Foto R.H.C. van Maanen
Zo
ben je bezig met een educatief project, zo sta je op een begraafplaats.
Grafstenen en –monumenten zijn in feite ook een soort van documenten zij het
van steen. Maar hoe en waarom kwam ik daar nu terecht?
Volgend
jaar bestaat de Vlissingen 700 jaar als stad. Een van de ideeën die geopperd
werden, was het maken van een educatieve website voor het onderwijs.
Voorwaarden waren onder meer dat de website voor meerdere jaren in de lucht
moest blijven, ondersteunend van aard en geschikt voor groepen vanaf 3-4 tot en
met 7-8. Ondersteunend wil zeggen dat een leraar gebruik kan maken van wat de
website biedt bij de behandeling van een thema in de klas, maar dat dat niet
verplicht is. Naast het aanbieden van korte teksten, beeld- en geluidsmateriaal
etc. wordt ook verwezen naar bronnen wanneer een verdere verdieping gewenst is.
Dat kan bijvoorbeeld het gemeentearchief zijn voor meer foto’s en/of
documenten, maar ook een stadswandeling of gastlessen. Vanzelfsprekend is ook
dat een tekst die de kinderen in groep 7-8 behandelen en begrijpen heel anders
is dan wanneer het onderwerp in groep 3-4 aan de orde zou komen.
Samen
met de Bibliotheek Vlissingen zijn wij nu aan het aftasten wat er nodig is en
wie het gaat doen. Zo zal de bibliotheek onder meer een (globale)
inventarisatie maken van de diverse leermethoden en de thema’s die in de klas
worden behandeld met bijbehorende tijdsbalk. Bovendien gaan ze straks de
website maken en nog veel belangrijker onderhouden. Het gemeentearchief als
historisch kenniscentrum zal teksten en beeldmateriaal aanleveren al dan niet
als half- of als eindproduct. Gaandeweg zullen meer culturele instellingen
worden ingeschakeld om daar waar nodig en/of gewenst hun steentje bij te
dragen. Dan kan voor één maar ook voor meerdere thema’s zijn.
Detailopname graf van ingenieur Martin en zijn gezin op de gemeentewerf aan de Vredehoflaan
Fotocollectie gemeentearchief Vlissingen FA 48214. Foto R.H.C. van Maanen
Als proef is gekozen voor het thema industriële revolutie en dan met name de gevolgen voor Vlissingen. De reden voor dit onderwerp is het archief van de Kon. Mij. De Schelde, beheerd door het gemeentearchief Vlissingen en dat bij uitstek industrialisatie in Vlissingen ‘verbeeldt’. Bovendien zijn in Vlissingen nog ‘tastbare’ herinneringen als het gebouw van de machinefabriek. Op het moment dat deze werf annex machinefabriek-ketelmakerij werd opgericht in 1875, is geen sprake van grootschalige industrie c.q. nijverheid in de stad. Ja, er is een chocoladefabriek, een sigarenfabriek en een zeepziederij maar daar houdt het wel een beetje mee op. De marinewerf die aan honderden arbeiders werk bood, is dan al enkele jaren buiten bedrijf. De uitbreiding en verbetering van het spoornetwerk en de havenwerken hebben ook (nog) niet het gewenste resultaat opgeleverd. En dan in 1875 wordt De Schelde opgericht en groeit uit tot de grootste werkgever in Vlissingen en omgeving met soms duizenden werknemers. Twee personen staan altijd op de voorgrond als het gaat om de beginfase te weten, Arie Smit en Bruno Tideman. Voor het educatieve verhaal wordt echter iemand anders naar voren gehaald, namelijk de uit Schotland afkomstige ingenieur Martin. Gedurende zijn werkzaam leven is hij de grote man achter het constant verbeteren van de schepen, ketels, machines en andere producten gemaakt door De Schelde. Hij ontwerpt ook de nieuwe machinefabriek nadat het eerste gebouw al kort na de bouw afbrandde.
Martin
wordt de hoofdrolspeler in de eerste tekst over industrialisatie en met zijn
ogen gaan we kijken naar wat er in Vlissingen gebeurde. Zo is er onder meer een
korte levensbeschrijving, foto’s van hemzelf en bestaat het graf nog waar hij
begraven ligt. Het is een herinnering aan hem in steen gevat, dus een soort
tijdsdocument. Vandaar ook dat bezoek vandaag aan de begraafplaats.
zondag 6 april 2014
Wachtschepen van de Koninklijke Marine te Vlissingen in de eerste helft van de 19e eeuw
In 1814 werd besloten tot de opheffing van de marinewerf te Antwerpen en de aanleg van een nieuwe marinewerf te Vlissingen. De laatste bestond in feite uit twee werven, een constructiewerf lees nieuwbouw+reparatie) en een uitrustingswerf. Verder werd in Vlissingen ook een wachtschip gestationeerd.
Een wachtschip heeft bij de Koninklijke Marine in de loop der tijd twee betekenissen. Enerzijds was het niet meer dan een drijvende kazerne in een marinehaven (in Vlissingen was dat in feite de Dokhaven) en diende het dus als woonverblijf voor matrozen en/of mariniers. Een wachtschip kon echter ook op de rede worden gestationeerd en dan werd het voor vaardiensten gebruikt. In Vlissingen betekende dit onder meer toezicht houden op de Schelde waarbij een vrije scheepvaart werd gegarandeerd, maar ook handhaving van de quarantaine tegen besmettelijke ziekten. Onderstaande lijst is niet compleet, er zal meer archiefonderzoek moeten plaatsvinden om de lacunes in te vullen.
Fregat Minerva 1812-1813 kazerneschip te Vlissingen en in 1818-1820 en opnieuw in 1823-1835 wachtschip te Vlissingen
Dit halfmodel maakt deel van de collectie van het Rijksmuseum object NG-MC-316 en is afkomstig uit de voormalige modellenkamer van het departement van marine.
Dit fregat werd gebouwd op de Vlissingse Admiraliteitswerf, de latere uitrustingswerf van de Koninklijke Marine. Volgens de Amsterdamsche Courant d.d. 28 augustus 1804 gaf de raad van de Bataafse Marine opdracht tot haar bouw. Dit nieuws werd met enthousiasme door de Vlissingse ingezetenen ontvangen. Bewapend met 32 kanons kreeg zij als afmetingen 145’ x 40’ x 15‘(holte) x 12 3/11’ (voor)-14 2/4’ (achter). De gebruikte lengtemaat was vermoedelijk de Amsterdamse voet oftewel 0,2831 meter. De bouw werd snel ter hand genomen want op 7 oktober was zij al op stapel gezet en op 28 december 1805 werd het fregat te water gelaten. Tussen 1812 en 1813 diende de Minerva als kazerneschip te Vlissingen. In juni 1813 namen de Franse bezetters het schip mee naar Antwerpen, België. Daar werd het later aangetroffen en overgedragen aan Nederland. Overgebracht naar Vlissingen werd zij daar uiteindelijk in gebruik genomen als wachtschip. In 1830 werd de Minerva ook gebruikt als drijvende gevangenis. De Middelburgse Courant d.d. 26 oktober 1830 meldde een gevecht bij Oostburg tussen Nederlandse troepen en het zogenaamde Parijs-Belgische legioen. Het werd een nederlaag voor het legioen met vele doden en 21 man werden als krijgsgevangenen meegenomen naar Vlissingen en vastgezet op de Minerva. Vijf jaar later kwam ook het einde voor het wachtschip. Zij was in een dermate slechte conditie dat niets restte dan de verkoop voor de sloop. Haar commandant, officieren en manschappen werden op non-actief gesteld voor zover zij niet meer nodig waren. De verkoop leverde ƒ 4.660,00 op.
Commandanten
J.H. Bolken 20 december 1821-18 oktober 1824
C.A. Bodel 18 oktober 1824-15 februar1 1826
J.C. Rijk 15 februari 1826- medio april 1827
J.R. Machielsen 1 mei 1828-16 augustus 1830
L.L. Spengler 16 augustus 1830-1 april 1835
Dit halfmodel maakt deel uit van de collectie van het Rijksmuseum object NG-MC-663 en is afkomstig uit de voormalige modellenkamer van het departement van marine. Het model afkomstig uit Rotterdam is ontworpen door Pieter Glavimans, de modellenmaker is onbekend gebleven.Gebruikt op het Instituut van de marine te Fijenoord-Rotterdam als instructiemodel en uiteindelijk terechtgekomen in de collectie aangelegd door de Amsterdamse marinewerf.
Dit halfmodel maakt deel uit van de collectie van het Rijksmuseum object NG-MC-313en is afkomstig uit de voormalige modellenkamer van het departement van marine. De naam van de modellenmaker is onbekend.
In december 1801 op stapel gezet op de Rotterdamse marinewerf en op 21 april 1802 te water gelaten. Afmetingen 145’ x 40’ x 15‘. De gebruikte lengtemaat was vermoedelijk de Amsterdamse voet oftewel 0,2831 meter. De Middelburgsche Courant d.d. 26 december 1833 vermeldde haar terugkeer van de rede in de Dokhaven op de 23e. Ten onrechte wordt zij aangeduid als korvet. Op de rede deed zij dienst als wachtschip. Op 1 april 1835 werd zij onder het commando van kapitein captain F.G. Courier dit Dubikart in dienst gesteld als wachtschip te Vlissingen in de plaats van de Minerva. Vanaf 1842 wordt de Euridice gebruikt als kostschip. De Zierikzeesche Courant d.d. 2 november 1847 meldt dat op 12 november op de marinewerf de Euridice op een publieke veiling te koop werd aangeboden. Het schip ligt dan in de Marinehaven met de vermelding dat het vroeger als logementsschip heeft gediend. Na de verkoop is het inderdaad gesloopt. In de Vlissingse Courant van 26 januari 1848 staat de volgende advertentie.
Een wachtschip heeft bij de Koninklijke Marine in de loop der tijd twee betekenissen. Enerzijds was het niet meer dan een drijvende kazerne in een marinehaven (in Vlissingen was dat in feite de Dokhaven) en diende het dus als woonverblijf voor matrozen en/of mariniers. Een wachtschip kon echter ook op de rede worden gestationeerd en dan werd het voor vaardiensten gebruikt. In Vlissingen betekende dit onder meer toezicht houden op de Schelde waarbij een vrije scheepvaart werd gegarandeerd, maar ook handhaving van de quarantaine tegen besmettelijke ziekten. Onderstaande lijst is niet compleet, er zal meer archiefonderzoek moeten plaatsvinden om de lacunes in te vullen.
Fregat Minerva 1812-1813 kazerneschip te Vlissingen en in 1818-1820 en opnieuw in 1823-1835 wachtschip te Vlissingen
Dit halfmodel maakt deel van de collectie van het Rijksmuseum object NG-MC-316 en is afkomstig uit de voormalige modellenkamer van het departement van marine.
Dit fregat werd gebouwd op de Vlissingse Admiraliteitswerf, de latere uitrustingswerf van de Koninklijke Marine. Volgens de Amsterdamsche Courant d.d. 28 augustus 1804 gaf de raad van de Bataafse Marine opdracht tot haar bouw. Dit nieuws werd met enthousiasme door de Vlissingse ingezetenen ontvangen. Bewapend met 32 kanons kreeg zij als afmetingen 145’ x 40’ x 15‘(holte) x 12 3/11’ (voor)-14 2/4’ (achter). De gebruikte lengtemaat was vermoedelijk de Amsterdamse voet oftewel 0,2831 meter. De bouw werd snel ter hand genomen want op 7 oktober was zij al op stapel gezet en op 28 december 1805 werd het fregat te water gelaten. Tussen 1812 en 1813 diende de Minerva als kazerneschip te Vlissingen. In juni 1813 namen de Franse bezetters het schip mee naar Antwerpen, België. Daar werd het later aangetroffen en overgedragen aan Nederland. Overgebracht naar Vlissingen werd zij daar uiteindelijk in gebruik genomen als wachtschip. In 1830 werd de Minerva ook gebruikt als drijvende gevangenis. De Middelburgse Courant d.d. 26 oktober 1830 meldde een gevecht bij Oostburg tussen Nederlandse troepen en het zogenaamde Parijs-Belgische legioen. Het werd een nederlaag voor het legioen met vele doden en 21 man werden als krijgsgevangenen meegenomen naar Vlissingen en vastgezet op de Minerva. Vijf jaar later kwam ook het einde voor het wachtschip. Zij was in een dermate slechte conditie dat niets restte dan de verkoop voor de sloop. Haar commandant, officieren en manschappen werden op non-actief gesteld voor zover zij niet meer nodig waren. De verkoop leverde ƒ 4.660,00 op.
Commandanten
J.H. Bolken 20 december 1821-18 oktober 1824
C.A. Bodel 18 oktober 1824-15 februar1 1826
J.C. Rijk 15 februari 1826- medio april 1827
J.R. Machielsen 1 mei 1828-16 augustus 1830
L.L. Spengler 16 augustus 1830-1 april 1835
Bron :Vlissingse Courant d.d. 11 april 1834
Fregat Euridice 1833/1834-1842
De Euridice in volle glorie. Pentekening Ron van Maanen
Dit halfmodel maakt deel uit van de collectie van het Rijksmuseum object NG-MC-663 en is afkomstig uit de voormalige modellenkamer van het departement van marine. Het model afkomstig uit Rotterdam is ontworpen door Pieter Glavimans, de modellenmaker is onbekend gebleven.Gebruikt op het Instituut van de marine te Fijenoord-Rotterdam als instructiemodel en uiteindelijk terechtgekomen in de collectie aangelegd door de Amsterdamse marinewerf.
Dit halfmodel maakt deel uit van de collectie van het Rijksmuseum object NG-MC-313en is afkomstig uit de voormalige modellenkamer van het departement van marine. De naam van de modellenmaker is onbekend.
In december 1801 op stapel gezet op de Rotterdamse marinewerf en op 21 april 1802 te water gelaten. Afmetingen 145’ x 40’ x 15‘. De gebruikte lengtemaat was vermoedelijk de Amsterdamse voet oftewel 0,2831 meter. De Middelburgsche Courant d.d. 26 december 1833 vermeldde haar terugkeer van de rede in de Dokhaven op de 23e. Ten onrechte wordt zij aangeduid als korvet. Op de rede deed zij dienst als wachtschip. Op 1 april 1835 werd zij onder het commando van kapitein captain F.G. Courier dit Dubikart in dienst gesteld als wachtschip te Vlissingen in de plaats van de Minerva. Vanaf 1842 wordt de Euridice gebruikt als kostschip. De Zierikzeesche Courant d.d. 2 november 1847 meldt dat op 12 november op de marinewerf de Euridice op een publieke veiling te koop werd aangeboden. Het schip ligt dan in de Marinehaven met de vermelding dat het vroeger als logementsschip heeft gediend. Na de verkoop is het inderdaad gesloopt. In de Vlissingse Courant van 26 januari 1848 staat de volgende advertentie.
Fregat Maas 1 september 1842-16 mei 1850
Na de Euridice wordt het fregat Maas als wachtschip in gebruik genomen. Dit fregat is al eerder op dit weblog aan de orde gekomen Na haar buitendienststelling doet zij vanaf 16 mei 1850 dienst als logementsschip tot de verkoop in 1853.
In de negentiende eeuw waren lijfstraffen nog steeds in zwang. De Zierikzeesche Nieuwsbode d.d. 17 januari 1845 gaf hiervan een voorbeeld. Koksmaat Willem Schalkwijk was betrokken geraakt in een vechtpartij en bovendien beschuldigd van insubordinatie. De zeekrijgsraad te Vlissingen veroordeelde hem tot de doodstraf te voltrekken met de kogel. Bij koninklijk besluit van 19 December 1844 echter werd hem de doodstraf kwijtgescholden. Helemaal ongeschonden kwam hij er niet vanaf. Zijn straf bestond nu uit twee keer ra vallen, een keer laarzen en vervolgens een gevangenisstraf van 10 jaar. Laarzen betekende dat met een stuk in pekel gehard touw een aantal slagen op de derrière, gestoken in een met zeewater nat gemaakte broek, werd gegeven. Bij ra vallen werd de betrokkene met een touw opgehesen aan het uiteinde van een ra. Vervolgens werd het touw gevierd en viel hij in het water. Om er zeker van te zijn dat hij zonk, was een gewicht aan zijn voeten bevestigd. Vervolgens werd hij weer uit het water omhoog gehesen. Bij Willem werd deze procedure dus twee keer herhaald.
Commdanten:
N.L. Koops 1 september 1842-1 april 1844
J. Enslie 1 april 1844-1 oktober 1844
W baron de Raet 16 oktober 1844-10 januari 1847
J.F. Kist 10 november 1847-1 juli 1848
W. baron de Raet 1 juli 1848-16 mei 1850
Bronnen
Alle Hens September 1979
Gedenkboek Kon. Insituut voor de Marine te Willemsoord 1854-1929.
Glavimans, “Schepen op de admiraliteitswerf gebouwd” in: Rotterdamsch Jaarboekje, reeks 01, jaargang 07, 1900.
Ph.M. Bosscher. Een nuchter volk en de Zee. Beeldverhaal van de Nederlandse Zeegeschiedenis. Bussum, 1979.
W.J.L. Poelmans. Nieuwsberichten in: Rotterdamsch Jaarboekje, reeks 01, volume 1, 1910.
G.J.A. Raven. De kroon op het anker, 175 jaar Koninklijke Marine. Amsterdam, 1988.
A.J. Vermeulen. De schepen van de Koninklijke Marine en die der gouvernementsmarine 1813-1964.
Admiraliteitsarchieven XLVII no. 17 (Asmus), Nationaal Archief Den Haag
Scheepsjournalen, National Archief, Den Haag.
Archief Hellevoetsluis inventarisnummer 507, Nationaal Archief, Den Haag.
vrijdag 28 februari 2014
Nieuwe aanwinst: een fotoalbum van de berging van de mijnenlegger Hr.Ms. Hydra in 1921
Afgelopen
week kreeg het gemeentearchief Vlissingen van de Vlissingse maritiem
illustrator Hein Naerebout een schitterend fotoalbum voor de fotocollectie. Het
‘gedenkalbum’ was aangeboden door de Nieuwe Berging Maatschappij (fa.
Dirkzwager) te Maassluis aan de heren A. Prins Thzn.te Sliedrecht. De foto’s
betreffen de berging van de mijnenlegger Hr.Ms. Hydra van de Koninklijke Marine
en haar overbrenging naar de Marinewerf te Hellevoetsluis. Daar werd het wrak
opgenomen in het Jan Blankendok. Waarom de Hydra niet werd gerepareerd bij de
Kon.Mij. De Schelde is niet vermeld.
![]() |
| Het wrak van de Hydra hangende tussen de pontons |
De
Hydra was ook niet onbekend met aanvaringen. Op 29 september 1919 botste men in
Rotterdam op het Amerikaanse stoomschip Lake Ellenorah. Het gevolg was een
schadevergoeding van ƒ 500.000 uit te betalen door de Nederlandse staat aan de
Amerikaanse eigenaar. In de nacht van 10 februari 1921 vond opnieuw een
aanvaring plaats, nu met de Nederlandse torpedoboot Z3. De Hydra zonk hierbij.
Haar berging is uitvoerig gefotografeerd en daar danken wij nu een magnifiek
fotoalbum aan. In de bewuste nacht nam zij deel aan oefeningen in de Wielingen.
Haar commandant was luitenant ter zee 1e klasse Van Ramshorst en die
van de Z3 luitenant ter zee 1e klasse Staverman.
Ter hoogte van de
zwarte lichtboei no. 8 ramde de Z3 de Hydra. Ondanks dat de boeg van de Z3
verfrommeld werd en nagenoeg haaks op de romp kwam te staan, bleef zij drijven.
Op eigen kracht zocht zij haar heil in de Vlissingse binnenhaven. Aan boord was
de volledige bemanning van de Hydra, welk schip nu op de zeebodem lag. Haar
bemanning kende geen gewonden, in tegenstelling tot die van de Z3. Vanuit
Vlissingen waren direct de Brinio en een mijnenveger afgezonden toen het
bericht van de aanvaring was binnengekomen. De waterdichte schotten aan boord
van de Hydra hadden in eerste instantie voorkomen dat zij zonk. Maar het water
drong het schip binnen door de openstaande patrijspoorten. Tijdens het opstomen
om het schip in veiligheid te brengen, bezweken uiteindelijk ook de waterdichte
schotten en zonk zij in 16,50
meter diep water. De marine gaf de Nieuwe Berging
Maatschappij te Maasluis opdracht haar te bergen. Omdat de Hydra en de Z3
voorlopig buiten dienst waren, werden de Triton en de Z7 klaar gemaakt om in
dienst te worden gesteld.
![]() |
| De Z3 met goed zichtbaar de schade aan de boeg |
Bron: Vlissingse Krant 17 februari 1921. De volgende dag maakten de commandanten van zowel de Hydra als het wachtschip te Vlissingen bekend dat de bewuste advertentie niet van hun afkomstig was en dat zij zich hiervan distantieerden.
De aanvaring trok ook de nodige aandacht in de Tweede Kamer. De minister moest opheldering geven of het gebied rondom Vlissingen wel geschikt was voor torpedo-aanvaloefeningen door torpedoboten van het Z3 type én waarom ten tijde van de aanvaring het telegraafkantoor te Vlissingen onbemand was. Het gevolg was dat om de marine te Vlissingen te waarschuwen, een telegram uit Nieuwediep nodig was! En passant kwam ook de eerdere aanvaring met het Amerikaanse schip ter sprake. Inmiddels was de berging ter hand genomen. Eerst werden losse en/of in de weg zittende onderdelen als masten verwijderd. De bedoeling was om kettingen onder het schip door te trekken en het dan omhoog te hijsen. Eind april stond het schip stond. Het slechte weer voorkwam echter de voortgang van de werkzaamheden. De bedoeling was na de lichting haar bij Rammekens aan de grond te zetten en noodreparaties uit te voeren alvorens het naar Hellevoetsluis te brengen.
![]() |
| De Hydra van achteren gezien tussen de pontons waarbij links nog duidelijk het takelgereedschap zichtbaar is |
Op
maandag 2 mei meldde de Vlissingsche Courant dat de lichting gelukt was. Bij
Fort Rammekens waren de gaten provisorisch gedicht, zaterdag kwamen de
bergingsvaartuigen (waaronder pontons van Prins) met het wrak daartussen
hangend op de Vlissingse rede aan en zondag kon men vanaf de boulevard het
geheel bewonderen. Van de berging is ook een film gemaakt want de krant meldde
dat die tijdens de Pinksterdagen in het Alhambra-theater werd vertoond. Het
wrak heeft eerst nog in de Binnenhaven te Vlissingen gelegen en is toen naar
Hellevoetsluis gebracht. Daar verwonderde men zich over de omvang van het gat.
De marine vroeg zich af of het schip niet te snel verlaten was, aangezien het
lek (eerder was sprake van gaten) gemakkelijk met twee dekens gedicht had kunnen worden. De bergingskosten
bedroegen uiteindelijk ƒ 150.000. Ook hier was in de Tweede Kamer commentaar op
aangezien de marine veel lagere offertes (ƒ 50.000 respectievelijk ƒ 65.000)
van deskundige bergingsbedrijven had geweigerd.
De
Hydra werd na te zijn gerepareerd weer in dienst gesteld. Op 15 mei 1940 werd
het schip op de Zijpe vanaf de wal bij Sint Philipsland beschoten door Duits
panterafweergeschut. De schade was dermate groot dat de bemanning besloot haar
aan de grond te zetten. Tijdens de oorlog werd zij vlot getrokken en gesloopt
te Hendrik Ido Ambacht.
maandag 24 februari 2014
Het verhaal achter de Vlissingse overlijdensakte van de Zierikzeesche marinier Adriaan Phernambucq in 1849 Het wachtschip Maas en een ontploft kanon
Bevolkings- en burgerlijke
standsregisters zijn dé startbronnen voor de genealoog. Als archivaris hoop je
natuurlijk dat het daar niet bij blijft en dat de stamboom verder wordt
aangekleed met allerlei feitjes. Zo geven militieregisters (1) bijvoorbeeld
interessante informatie over het mannelijke deel van de samenleving en hun
dienstplicht en belastingregisters over het inkomen. Kranten zijn ook bij
uitstek geschikt om het beeld in te kleuren. In het overlijdensregister van de
gemeente Vlissingen staan in de maand september
zeven overlijdensadvertenties, alle betrekking hebbende op mannen afkomstig van
het wachtschip Maas en op 20 september om 3
uur overleden. Nu kan
je volstaan met de datum van overlijden etc. op te nemen in de stamboom, maar
wat is er eigenlijk gebeurd? Met wat extra speurwerk kan je erachter komen wat
er om 15.00 uur op 20 september 1849 gebeurde en wat het leven kostte van Phernambucq
en de zes anderen.
Na de Napoleontische periode
werd het Koninkrijk der Nederlanden gesticht. Een voor Vlissingen
belangrijk besluit was dat de marinewerf te Antwerpen werd opgeheven en een
nieuwe te Vlissingen
opgericht. Dit is inderdaad gebeurd. Het werfcomplex werd later door de
Kon.Mij. De Schelde in gebruik genomen. Er kwam ook een wachtschip te Vlissingen liggen.
Eigenlijk was het niet meer dan een drijvende kazerne om matrozen en mariniers
te huisvesten.(2) Het kwam te liggen in de Dokhaven. In 1842 kwam de Maas naar
Vlissingen en bleef hier tot begin vijftiger jaren in dienst waarna het in 1853
ten behoeve van de sloop te koop werd aangeboden.
Het fregat Maas werd op 15
April 1818 door P. Glavimans op stapel gezet op de marinewerf te Rotterdam en liep op 30
oktober 1822 van stapel. De bewapening bestond uit 44 kanons en de afmetingen
waren 163 (op de waterlijn) x 32 x 22,7 voet met een waterverplaatsing van 1460
ton. Vijf jaar later, 5-30 oktober 1827, werd het schip al geïnspecteerd in het
droge of kieldok te Hellevoetsluis of de zeeworm het hout had aangetast.
Hellevoetsluis had in tegenstelling tot de Rotterdamse marinewerf net als
Vlissingen een droogdok, zij het dat het Jan Blankendok in tegenstelling tot
het dok van Perry in een droog en een nat gedeelte kon worden afgescheiden. In
1831 werd de Maas opnieuw gedokt, nu om de koperen
dubbelhuid op beschadigingen te inspecteren. Later dat jaar vinden enkele
reparaties plaats. In haar actieve loopbaan voer de Maas
onder meer naar de Oost en de West. De
Middelburgsche Courant d.d. 25 december 1841 meldde dat de Maas liggende te Willemsoord op 31 december buiten dienst
werd gesteld. Zij was op 15 mei dat jaar teruggekeerd van Batavia. De Vlissingse Courant meldde op 29 juni 1842 dat de Maas op de 27e
uit Den Helder zou vertrekken gesleept door het marine stoomschip Etna
bestemming Vlissingen. Hier zou zij in dienst als wachtschip worden gesteld.
Haar commandanten in deze jaren zijn N.L. Koops (1-9-1842/1-4-1844), J. Enslie (1-4-1844/1-10-1844), W baron de Raet (16-10-1944/10-11-1847), J.F. de Kist (10-11-1847/1-7-1848) en tenslotte opnieuw W baron de Raet (1-7-1848/16-5-1850). Het schip wordt dan uit dienst gesteld als wachtschip en begint als logementschip aan haar laatste jaren.
In de middag van 20 september
1849 vond om 3 uur een ernstig ongeluk plaats op de marinebatterij opgesteld op
het terrein van de marinewerf. Tijdens het zogenaamde schijfschieten op een op
de Schelde drijvende schijf ontplofte een van de kanons. Zes man werden direct
gedood, twaalf anderen (zwaar)gewond. De gewonden werden direct naar het
hospitaal gebracht waar een van hen alsnog overleed. Een van de gewonden
verkeerden met ernstig hoofdletsel in levensgevaar. Kapitein luitenant ter zee
Van der Hart was licht gewond aan een oog en een hand. De ontploffing moet
inderdaad zeer heftig zijn geweest, gelet op wat de Zierikzeesche Nieuwsbode op de 24e schreef: “De
marine-batterij is in den letterlijken zin verwoest, balken van een gescheurd,
de zoldering gebarsten, zware stukken ijzer van het gesprongen kanon, op
aanzienlijke afstanden geworpen…” Onmiddellijk snelden de marine autoriteiten
als schout-bij-nacht Lucas, commandant van de marinewerf en kolonel der
artillerie Meyl toe naar de plek des onheil. In het hospitaal was
chirurgijn-majoor Van Leersum verantwoordelijk voor de verzorging van de
gewonden. Alle slachtoffers waren afkomstig van De Maas
op dat moment nog steeds wachtschip. Tot de doden behoorden de mariniers
Hendrik Willem Walbrink (32 jaar, geboren Amsterdam),
Pieter van Es (20 jaar, geboren Dordrecht,
Adriaan Phernambucq (18 jaar, geboren Zierikzee), Johann Wilhelm Herwig(21
jaar, geboren Frankfurt a/d Main), Adam Krimp (20 jaar, geboren Brummen) en de
matrozen Pieter Lens (20 jaar, geboren Gouda) en
Christiaan de Bis (20 jaar, geboren te Dordrecht).
Tot de gewonden behoorden de mariniers Reuth, Niehorster, Van Basten en
Everwijn en tot de matrozen Ponsing, Ganzinga, Speijer, Schamp en Winterman.
Twee jaar haalde de Maas
opnieuw de krant, alleen geen plaatselijke maar een krant gepubliceerd in Den Helder. Het weekblad van Den Helder en het Nieuwediep
d.d. 7 April schreef over de ontsnapping van matroos Roest opgesloten op het
wachtschip in afwachting van de krijgsraad. Hij maakte een gat in het dek van
zijn ‘hut’, kwam in de kuil terecht, liep naar de hut van de klerken en stal
daar een uniform van een adelborst en een mantel. Vervolgens kon hij zonder dat
iemand iets verdachts opmerkte in de nacht van 28 maart op zijn gemak van boord
gaan. Nadat zijn ontsnapping ontdekt was, werd zijn hut doorgezocht. Daar vond
men het mes en het volgende door hem geschreven spotvers:
Heeren als Roest wil houwen
Dan moet je ijzere hutte
bouwen
Want een hut of gat van houdt
Is toch nu of nooit
vertrouwd.
Hier is het mes, hier is het
gat
Morge ben ik uit de stadt.
Overste! Of je kijkt of ziet
Morge vind je Roest toch niet.
Of zij Roest ooit nog
gevonden hebben, heb ik (nog) niet kunnen achterhalen. Op 7 april was hij nog
steeds spoorloos. De krant spreekt nog van een wachtschip maar dat is niet
correct, zij dient dan al een jaar als logementschip
Bronnen
Overlijdensregister gemeente Vlissingen 1849
(Gemeentearchief Vlissingen toegang T434 inv.nr. 368).
Rotterdams jaarboekje, diverse jaargangen in te zien via de website van het
gemeentearchief Rotterdam
Archief marinewerf
Hellevoetsluis inv.no. 507 (Nationaal Archief te ‘s-Gravenhage.
Noten
1. Op het National Archief te
’s-Gravenhage zijn de stamboeken bewaard. Daarin kan per militair zijn loopbaan worden
gevolgd. Voor meer gegevens over schepen zijn diverse boeken en/of websites en
–logs beschikbaar. Wil je meer weten over koopvaardijschepen en kapiteins in de
19e eeuw, zie: Nederlandse koopvaardijschepen.
Voor V.O.C. schepen zie http://www.vocsite.nl/schepen/lijst.html
Voor walvisvaart, koopvaardijschepen en oorlogsschepen tussen 1500 en nu zie: Scheepvaart door de eeuwen heen
en voor de Koninklijke Marine tussen 1814 en 1962 het (inmiddels verouderde)
standdaardwerk van A.J. Vermeulen. Schepen
van de Koninklijke Marine en die der Gouvernmementsmarine. Voor
zeiloorlogsschepen van Europese marines tussen 1650 en 1860 zie European navies in the sailing area
2. Soms deed een wachtschip nog actief dienst als
oorlogsschip maar dan alleen voor de lokale defensie.
maandag 10 februari 2014
Educatie en het gebruik van schoolplaten
Foto Kees de Grave
In
onze atlas (HTA-ID850) hebben we deze mooie prent van het brandende stadhuis
op 14-8-1809
op 14-8-1809
Het MuZeeum in Vlissingen bezit nog een van de Engelse Congreve-raketten gebruikt tijdens de beschieting.
Nu
heeft het gemeentearchief ook geen white-board in huis maar straks wel wijsgierige
kinderen. Dus hoe dit op te lossen? Gelukkig zijn wij in het bezit van een
grote collectie originele schoolplaten, de white-boards van het verleden. Hieruit
worden voor elk tijdvak een of meerdere schoolplaten gelicht. Vervolgens worden
er een of meerdere archiefstukken en prenten bijgezocht met de bijbehorende
verhalen. Vanwege én de beschikbare ruimte én om voldoende interactie te
krijgen, is in overleg met de leraar de groep in tweeën gesplitst. Eén groep
start in het gemeentearchief, de tweede groep start met een rondleiding rond de
Dokhaven. Vervolgens wisselen na een uur beide groepen. Voor de rondleiding is
een plattegrond gemaakt met bijbehorende teksten met aandacht voor de maritieme
en industriële revolutiegeschiedenis van Vlissingen. Nu maar hopen op mooi weer
morgen!
Foto Kees de Grave
vrijdag 31 januari 2014
Een onbekende tekening uit 1876 baart opzien Niet de Zeeuw maar een ponton is het eerste schip gebouwd door De Schelde
Op een doorsnee ochtend kreeg ik een onooglijk stuk papier
van A3 formaat bezaaid met roestbruine vlekjes in mijn handen. In vaktermen
noemen we dat ‘weer’ maar het heeft wel wat weg van pokken. Weer en pokken
hebben ook iets gemeen(s), beide laten littekens achter, de een op papier, de
ander op huid. Het is een tekening op calque papier in een snelle schatting
daterend uit de laatste kwart van de 19e eeuw. Mooi en strak
getekend op schaal 1:50, maar niets opzienbarends. Volgens het opschrift is het
een ijzeren werf- en ketelpont. De stempel is slecht leesbaar en gedateerd 22
februari 1876 of 1878. Het laatste cijfer is niet goed leesbaar. Ook ‘spreekt’ de
stempel over de Koninklijke Maatschappij, maar dat predicaat kreeg De Schelde
al in 1875. In
eerste instantie denk ik dat het gaat om de ijzeren kiellichter in 1877 gebouwd
voor de Koninklijke Marine. Qua uiterlijk komen beide vaartuigen met elkaar
overeen. Later maar eens opnieuw bekijken. Ik leg de tekening op de tafel
achter mij, eerst verder gaan met de grote stapel tekeningen die nog op mijn
bureau ligt.
Toch knaagt er iets in mijn achterhoofd. Nogmaals de
tekening en met name het stempel bekeken met mijn collega’s. Eindigt de datum
nu op een ‘6’ of een ‘8’. Om aan de onzekerheid een eind te maken, besluit ik
het directiearchief te raadplegen. In de kluis staande realiseer ik mij dat ik vergeten
ben de inventarisnummers voor de notulen van de directie te noteren. Wel heb ik
een paar opties genoteerd voor de financiële en orderadministratie. Bij het
eerste boek (nr. 1216) wat ik opensla is het raak. Ik zie De Zeeuw staan en
blader even door naar de kiellichter voor de marine. Inderdaad gebouwd in 1877
maar in 1878 geen ketelpont. Teruggebladerd naar de eerste bladzijde staat
bovenaan dat voor De Schelde in 1876 een ‘IJzeren werkvaartuig tot het
vervoeren van zware lasten circa 60 Ton’ werd gebouwd. In de linkerkolom staat
Schip no. 1, alleen is later de ‘1’ doorgehaald en vervangen door een ‘0’. Maar
de visbunsloep De Zeeuw was toch het eerste schip dat gebouwd werd? Dat
vermelden alle boeken en websites immers. En ja, ook de Zeeuw staat in het
boek, alleen er onder In de eerste kolom
staat voor haar 14 April Schip nr. 2, alleen is later de ‘2’ doorgehaald en
vervangen door een ‘1”.
Met andere woorden: Ja, de Zeeuw was het eerste schip gebouwd
voor een externe afnemer, nee het was niet het eerste vaartuig gebouwd door de
De Schelde. Dat was namelijk dit onooglijke werkvaartuig. Dus de
geschiedenisboeken moeten worden aangepast. Bovendien is dit nu de oudste
scheepsbouwtekening in het Schelde-archief.
Een hedendaagse ponton op de Schelde beladen met last onderweg naar Vlissingen-Oost 15 september 2013
Foto Karin van Maanen
Nauwelijks
opgestart had de werf natuurlijk behoefte aan gereedschappen, transportmiddelen
etc. Met de aspiraties om ook ketels en machines te bouwen was zwaar
transportmateriaal nodig. Voor dit doeleinde werd ‘ons’ werkvaartuig gebouwd.
Het was een nagenoeg vierkant geheel met als afmetingen 12 bij 10 meter en een holte van 1 meter. De bouwkosten
bedroegen totaal ƒ 5.846,88, de feitelijke kostprijs ƒ 5.499,04. Aan
arbeidslonen was men ƒ 1.257,90, voor smidswerk ƒ 323,21 en voor materialen ƒ
3.917,93 kwijt.
woensdag 15 januari 2014
Het fregat Hr.Ms. Diana en de bevrijding van de christenslaven in 1816
Historische topografische
Atlas
Het gemeentearchief Vlissingen is in het
bezit van een grote en rijke historische topografische atlas. Bij ‘rijke’ moet
niet direct aan geld worden gedacht, maar meer aan de cultuur-historische
waarde. De tekeningen, prenten en dergelijke brengen de Vlissingse en nationale
geschiedenis letterlijk en figuurlijk in beeld. Achter elke prent zit één of
meerdere verhalen. De 19e eeuwse prent waarover ik nu het wil
hebben, toont een afbeelding van het fregat de Diana. Het bijbehorende
onderschrift is helaas slecht te lezen. Echter het woord ‘Algiers’ valt op.
Maar wat hebben de Diana en Algiers
en christenslaven nu met elkaar te maken? In het volgende stukje wordt daar
dieper op ingegaan.
HTA Gemeentearchief
Vlissingen ID 487 Originele bron
Barbarijse staten en slaven
In 2013 en 2013 wordt veel
aandacht besteed aan de Transatlantische slavenhandel en de afschaffing van de
slavernij en het Nederlandse aandeel hierin. Het feit dat ook de Verenigde
Oostindsche Compagnie geen schone handen had, krijgt veel minder aandacht. Maar
ook zeelieden die met name op de Middellandse Zee voeren, liepen een zeker
risico tot slavernij te worden veroordeeld. Eeuwen lang werden de schepen
uitgerust door de Barbarijse Staten gevreesd. Deze staten moeten worden
gesitueerd langs de Noord-Afrikaanse kust waarbij het gaat om de hedendaagse
landen Marokko, Algerije, Tunesië en Libië. Ondanks dat het ging om vazalstaten
van de Turkse sultan hadden zij een grote zelfstandigheid of beter gezegd eisten
zij die op. Het gevolg was dat Europese en Noord-Amerikaanse koopvaardijschepen
geterroriseerd werden door deze Barbarijse piraten. Algiers was één van de
voornaamste uitvalbases en rustte de grootste vloot uit. De regeringen van
bijvoorbeeld de Republiek der Verenigde Nederlanden en Denemarken boden grote
geldbedragen aan indien men hun schepen ongehinderd liet passeren. Helaas
gebeurde het regelmatig dat toch een schip werd geplunderd en haar bemanning
gevangen werd genomen en eindigde in slavernij. Geregeld zonden Europese staten
oorlogsschepen om aan deze praktijken een eind te maken. Echter zonder veel
resultaat. Ook onze nationale en Vlissingse held De Ruyter trachtte dit
tevergeefs. De bekende slavenkas van Zierikzee was ingesteld om zeelieden
afkomstig uit Zierikzee uit de Barbarijse slavernij vrij te kopen.
Aan het eind van de 18e
eeuw was geheel Europa in een strijd op leven en dood verwikkeld. Nederland was in 1795
veroverd en was sindsdien niet meer dan een Franse vazalstaat bekend als de
Bataafse Republiek. In 1797 leed de Nederlandse vloot bij Kamperduin een
ontluisterende nederlaag tegen de Engelse marine. Uiteindelijk werd Nederland zelfs een deel
van het Franse keizerrijk. Tijden verkeren echter. In 1814 vocht Nederland aan
de zijde van Engeland toen Napoleon in 1815 terugkeerde van zijn
verbanningsoord op Elba en opnieuw - zij het tevergeefs- een greep naar de
macht deed. Deze roerige periode tussen 1793 en 1815 gaf de Barbarijse piraten
wel veel speelruimte. Nadat de rust in 1815 was weergekeerd, kon men in Europa
de aandacht weer op andere problemen richten.
Algiers beschoten in 1816
In 1816 besloten Engeland en
Nederland gezamenlijk op te treden tegen de Dei van Algiers. Er werd een
gezamenlijk eskader uitgerust onder het commando van admiraal Lord Exmouth, de
Diana was een van de fregatten die Nederland meestuurde. Op 27 augustus werd de
stad Algiers onder vuur genomen. De Dei van Algiers had namelijk het juist
gesloten verdrag op bloedige wijze ter zijde geschoven. Het bombardement leverde
een nieuw verdrag, ondertekend op 24 September, op. Bovendien werden maar
liefst 1.083 christen slaven bevrijd, gevolgd door later nog eens 3.000 slaven.
Echter de vrede was van korte tijd. Algiers en de andere Barbarijse staten hervatten
hun piraterij. De personele verliezen aan de zijde van de Engelsen en
Nederlanden waren zwaar. Zo waren aan boord van de Diana 6 doden en 22 gewonden
te betreuren. De Middelburgsche Courant van 10 september 1816 publiceerde een
extract uit een brief geschreven aan boord van de Diana op 10 augustus liggende
te Gibraltar. De brief is in alle haast geschreven want de volgende morgen
vertrekken zij om Algiers’’plat
te schieten’. ‘Daar was volgens de briefschrijver wel alle reden toe:’Ik geloof
nu wel dat het menens zal zijn; ten minsten de Engelschen hebben er wel reden
toe dewijl de Algerijnen alle de Engelschen, die in hunne stad waren, vermoord
hebben.’
Een Engelse fregat aangekocht
De Diana en haar
zusterschepen werden ontworpen door sir John Henslew. De Artois-klasse waartoe
zij behoren, werd goedgekeurd op 2 Maart 1793. Op 28 maart werd opdracht
gegeven aan de scheepswerf van Randall&Co. te Rotherhithe haar op stapel
zetten iets wat dezelfde maand nog plaatsvond. Het jaar daarop werd zij op 3
maart te water gelaten en op 6 juni werd zij liggende op de marinewerf te
Deptford in dienst gesteld. Haar bouwkosten inclusief de eerste uitrusting
bedroegen 21.991 Engelse ponden. Bewapend met 38 kanons waren haar afmetingen
121’8½”(kiel)-146‘3“(geschutsdek) x 39’1½” x 13’0” en mat 999 43/54 tons, alles
in Engelse maten. Zij kon ‘gelijk aan de bak’ en was op 23 augustus van dat
jaar al betrokken bij de vernietiging van het Franse fregat La Voltontaire. In
de daaropvolgende jaren veroverde zij diverse kapers en was verwikkeld in
gevechten met Franse oorlogsschepen. In 1812 kreeg zij haar hard verdiende rust
toen zij werd opgelegd te Plymouth gevolgd door grote reparaties tussen maart
1813 en September 1814 op de scheepswerf van Isaac Blackburn, Turnchapel. De
volgende stap was haar opnieuw uit te rusten en gereed te maken voor de
volgende stap in haar loopbaan. Dat gebeurde op de marinewerf te Plymouth tussen September
1814 en de eerste maanden van 1815. Die volgende stap was een opvallende, zij
werd verkocht aan de voormalige vijand: Nederland.
Voor het luttele bedrag van 36/796 Engelse ponden werden wij de nieuwe
eigenaar.
Nadat het Franse juk was
afgeworpen en men in Nederland
met de wederopbouw begon, bleek al snel dat onze marine niet veel meer
voorstelde. Op papier was zij formidabel met een groot aantal linieschepen en
fregatten, de werkelijkheid lag anders. Vele schepen waren gebouwd van
inferieure bouwmaterialen, iets wat al snel leidde tot grote problemen. De
aankoop van een fregat dat haar sporen had verdiend was een weloverwogen keuze.
Een keuze die al snel op zijn waarde werd geschat. De exacte datum dat zij in
dienst werd gesteld als een Nederlands oorlogsschip verschilt. Het koninklijk
besluit den dato 27 maart no. 2 spreekt van een indienstelling onder het
commando van kapitein Ziervogel met een bemanning van 280 koppen. Op 19 juni
ging zij het zeegat uit met de Nederlandse vlag in top. Na haar optreden te Algiers in 1816 keerde zij terug naar Nederland. Op 26 oktober arriveerde de Diana
in Vlissingen en
op 30 oktober werd zij uit dienst gesteld.
Het einde van de Diana
Zij deed ruim twintig jaar
dienst bij de Koninklijke Marine tot zij op 15 November 1838 buiten dienst werd
gesteld. Niemand zal vermoed hebben dat zij binnen enkele maanden verloren zou gaan.
In de Overijsselse courant van 22 januari 1988 wordt een bericht opgenomen
gedateerd Den Helder
de 17e. Daaruit bleek dat een dag eerder om 21.30 uur, een grote
brand uitbrak aan boord van de Diana, die op dat moment in het droogdok op de
marinewerf te Willemsoord (Den Helder) lag. Ondanks alle pogingen om de brand
te blussen greep deze zo snel om zich heen dat het bovenschip geheel
uitbrandde. Men was de brand pas de volgende morgen om 10 uur meester. Het wrak
werd verkocht voor ƒ 15.750.
Advertentie uit de Nederlandsche Staatscourant van 30 maart 1839 tot verkoop van het wrak
Bronnen
Scheepsjournalen Archief
Ministerie van Marine (Nationaal Archief te ‘s-Gravenhage).
Aanhangsel na 1813 inv.no. 55
Archief Ministerie van Marine (Nationaal Archief te ‘s-Gravenhage).
A.J. Vermeulen. De schepen
van de koninklijke marine en die der gouvernementsmarine 1814-1962.
Rif Winfield. British Warships in the Age of Sail
1793-1817. Design, Construction, Careers and Fates. 2005.
Historisch-Topografische
Atlas Gemeentearchief Vlissingen ID 487.
Overijsselsche Courant van 22
januari 1839.
Nederlandsche Staatscourant
van 30 maart 1839.
Middelburgsche Courant van 10
september 1816.
vrijdag 3 januari 2014
Een Deens militair vliegtuig in de fotocollectie De Schelde: de Auto-giro Cierva C. 30 M-2 uit de jaren dertig van de 20e eeuw
Dat
de Kon.Mij. De Schelde ook in de vliegtuigindustrie actief is geweest is
bekend. Een bekend voorbeeld van een door haar gebouwde vliegtuig is
bijvoorbeeld de Scheldemusch. Er zijn ook verscheidene foto’s hiervan bewaard
gebleven. Bij toeval stuitte ik ook op een tweetal foto’s van een Deens
vliegtuig. Deze bevonden zich niet in de reguliere serie glas- en
celluloid negatieven, maar staan op een negatiefrolletje aangetroffen in een
kartonnen doosje getiteld F.5 Sportvliegtuig Scheldemusch en Donniër vleugels. In
eerste instantie dacht ik dat het ging om een rolletje met reproducties van
glasplaatnegatieven. Dit is echter niet het geval, het zijn originele opnamen
en die bovendien nergens beschreven staan in de inventarislijsten. De twee bewuste
foto’s hebben als voorlopig kenmerk A16 en A17 meegekregen en gaan deel
uitmaken van toegang 521-Negatieven Serie F Koninklijke Maatschappij De Schelde.
Op
beide foto’s staat het bewuste vliegtuig met als kenteken M-2op een onbekend
(vlieg)veld. Met enig zoeken heb ik achterhaald dat de M-2 eigendom was van
Denemarken. Omdat dit soort vliegtuigen onder meer gebruikt werd op
vliegtuigmoederschepen (bijvoorbeeld door Spanje) ging ik er vanuit dat het tot
de Deense marine behoorde. Het Danmarks Flyvehistoriske Museum verstrekte
echter andere informatie. Knud Rasmussen schreef mij dat in 1936 twee Autogyro
Cierva C. 30 (de M1 en 2) waren geleverd vanuit Engeland aan Denemarken. Echter
niet aan de Deense marine maar aan de Haerens Flyvertropper die vanaf land
opereerden. Beide vliegtuigen waren aangekocht ter vervanging van de in de
jaren dertig verouderde ballons uit het zogenaamde ‘Ballonparken’. Nadat
Denemarken werd bezet door de Duitse troepen werden beide vliegtuigen aan
Zweden verkocht. Maar nog steeds is er geen relatie met De Schelde en/of
Nederland.
De
krantenbankzeeland.nl lichtte een klein tipje van de sluier op. Op 18 maart
1931 schreef de Vlissingse courant dat binnen enkele maanden het vliegtuig
gebouwd volgens het ontwerp van de Spanjaard La Cierva ook door particulieren
gekocht kon worden. Het staat dan bekend als het ‘windmolen’-vliegtuig vernoemd
naar de horizontaal draaiende wieken. In de praktijk werd dit ontwerp aangeduid
als een auto-giro met de eigenschappen van een helikopter. In mei 1932 landde
de auto-giro op Schiphol komende vanuit Engeland en bestuurd door de uitvinder
zelf de Spaanse markies De la Cierva. Er werd zelfs een demonstratievlucht uitgevoerd.
In de loop der tijd verbeterde De la Cierva zijn uitvinding. In maart 1935
maakte hij bekend dat zijn auto-giro nagenoeg hetzelfde presteerde als een helikopter.
Het was mogelijk rechtop te stijgen tot een hoogte van 6-30 meters en dan de koers
onder de gewenste klimhoek te vervolgen. Deze verbetering maakte de auto-giro
dus ook uitstekend geschikt voor gebruik op zee. Zonder veel problemen kon men
opstijgen en neerkomen op een vliegdek. Aanpassingen als kranen om haar weer
aan boord te hijsen of katapulten voor de lancering waren niet nodig. Zij kon
op eigen kracht vertrekken en ‘parkeren’. In de Verenigde Staten begon men
in1936 in licentie een militaire uitvoering te bouwen. Datzelfde jaar kwam haar
uitvinder om bij een vliegtuigongeluk met het KLM vliegtuig De Lijster! De
Zierikzeesche nieuwsbode van 18 augustus 1937 kan weleens de oplossing geven
voor de bewuste foto’s. Vanwege de weersomstandigheden was de luchtvaartpropaganda
middag op het vliegveld te Haamstede uitgesteld en verschoven naar zaterdag 21
augustus. Dertien vliegtuigen zouden deelnemen aan de 4e Scheldevlucht.
Beroepspiloten gingen voor de Zilveren Scheldebeker en amateurs voor de
Zilveren Scheldemeeuw. Gestart werd om 14.30 te Vlissingen voor een traject van
110 kilometer
met een tussenlanding te Haamstede die maximaal 40 minuten mocht duren. Onder
de deelnemers was Slot met zijn Scheldemusch en als speciale attractie een autogiro.
Op 3 augustus schreef de Vlissingse Courant dat aan de derde Scheldevlucht ook
een auto-giro had deelgenomen namelijk de Nederlandse sportvlieger H.J. v.d.
Velden met de G-ACXG. Vanuit Soesterberg was echter afgezegd door de luchtmacht.
Kortom het is nog steeds niet duidelijk hoe het zit met de foto’s en waar ze
zijn geschoten. We hebben er echter wel twee mooie plaatjes aan over gehouden!
vrijdag 20 december 2013
Schepen gebouwd op de marinewerf te Vlissingen tussen 1817 en 1861
Vlissingen heeft zoals al vaak gezegd een rijke maritieme historie en waarin de marine een grote rol speelde. Weliswaar is de rol in de loop der tijden kleiner geworden maar er is nog steeds een marinekazerne aanwezig. Wanneer alles naar wens loopt, staat er over enkele jaren ook de marinierskazerne binnen de gemeentegrenzen.
Oorlogsschepen zijn door de eeuwen heen in Vlissingen gebouwd. Eerst op de Admiraliteitswerf later op de
Marinewerf en vanaf 1875 door de Kon.Mij. De Schelde. De laatste particuliere scheepswerf nam de opstallen, het dok van Perry en de hellingen over van de voormalige marinewerf. Tussen 1817 en 1861 werden op de marinewerf 61 schepen gebouwd voor de Koninklijke Marine inclusief het daaronder ressorterende Loodswezen. (1) Het fregat De Rijn echter was in feite geen nieuwbouw. Een bestaand zeilschip werd omgebouwd tot raderstoomschip. Dit experiment mislukte echter en zij werd teruggebouwd tot zeilschip. De marinewerf bestond in feite uit twee werven, de constructiewerf voor nieuwbouw en de uitrustingswerf (in feite de voormalige admiraliteitswerf) voor het optuigen van de schepen etc. Het Dok van Perry uitkomende op de Dokhaven werd gebruikt voor nieuwbouw, verbouw en reparaties. Ondanks haar kortstondige bestaan is de Vlissingse marinewerf van niet weg te cijferen betekenis geweest. Naast experimenten met stoomvoortstuwing werd ook een deel van de drijvende batterijen als bijvoorbeeld de Draak hier gebouwd en geëxperimenteerd met bepantsering. Een deel van de halfmodellen etc. die op de Vlissingse marinewerf vervaardigd zijn, zijn bewaard gebleven in het Rijksmuseum te Amsterdam. Via de website van dit museum kan men zich hiervan een goed beeld vormen. Onder de hoofdingenieurs die werkzaam zijn geweest op deze werf moeten Turk en Tideman maar bijvoorbeeld ook Tromp genoemd worden. De zogenaamde roeiboten zijn vermoedelijk roeikanonneerboten geweest.
1. De Courier, 18-kanons brik, op stapel gezet 11 juli 1817
Mogelijk gebouwd op een van de hellingen van de voormalige admiraliteitswerf en niet op de nieuw aangelegde hellingen in de Dokhaven.
2. De Zeeuw, 80-kanons linieschip, op stapel gezet 11 juli 1817
3. Euridice, 36-kanons fregat, gebouwd 1820-1821; zie elders op dit weblog de tekst over de wachtschepen te Vlissingen in de eerste helft van de 19e eeuw
4. Koning der Nederlanden, 84-kanons linieschip, op stapel gezet 11 juli 1817
5. No. 3, boot, gebouwd 1821
6. Mercuur, werkvaartuig, gebouwd 1821
7. No. 11, roeiboot, gebouwd 1821
8. De Rijn, 54-kanons fregat, gebouwd 1825-1832
9. Panter, 12-kanons brik, op stapel gezet 24 juni 1823
10. No. 6, boot, gebouwd 1823
11. No. 9, boot, gebouwd 1823
12. Nehalennia, 28-kanons korvet, op stapel gezet 18 december 1824
13. Suriname, stoomschip, op stapel gezet 8 april 1826
14. Windhond, 8-kanons brik, op stapel gezet 7 juni 1826
15. Boreas, 28-kanons korvet, op stapel gezet 31 juli 1828
16. Amphitrite, 32-kanons korvet, op stapel gezet 28 februari 1828
17. Meermin, 18-kanons brik, op stapel gezet 29 augustus 1828
18. No. 15, roeiboot, gebouwd 1828
19. No. 12, roeiboot, gebouwd 1828
20. No. 14, roeiboot, gebouwd 1828
21. No. 13, roeiboot, gebouwd 1828
22. No. 13, boot, gebouwd 1828
23. No. 31, gebouwd 1830
24. No. 32, gebouwd 1830
25. No. 29, gebouwd 1830
26. No. 30, gebouwd 1830
27. No. 33, gebouwd1830
28. No. 34, gebouwd 1830
29. No. 24, gebouwd 1830
30. Snelheid 14-kanons brik, op stapel gezet 4 juni 1831
31. De Ruyter, 1e klasse fregat, op stapel gezet 20 augustus 1831
32. Cerberus, stoomoorlogsschip, op stapel gezet 28 februari 1834
33. Koerier, 18-kanons brik, op stapel gezet 13 juni 1835
34. Etna, stoomoorlogsschip, op stapel gezet 18 september 1837
35. Lynx, 18-kanons brik, op stapel gezet 13 juni 1838
36. Heldin, 20-kanons korvet, op stapel gezet 31 juli 1839
37. Sperwer, 18-kanons brik, op stapel gezet 13 mei 1840
38. Dolfijn, 5-kanons schoener brik, op stapel gezet 31 mei 1842
39. Prins Maurits der Nederlanden, 26-kanons korvet, op stapel gezet 9 juni 1842
40. Adder, 3-kanons schoener, op stapel gezet 4 september 1844
41. Cachelot, 12-kanons brik, op stapel gezet 4 september 1844
42. Vlinder, kotter annex werksloep, op stapel gezet 4 november 1844
43. Schorpioen, 2e klasse schoener, op stapel gezet 13 juni 1845. Volgens de krant 9 mei.
44. Saparoea, 4-kanons schoener brik, op stapel gezet 18 december 1845
45. Padang, 4-kanons schoener brik, op stapel gezet 20 februari 1849
46. Atalante, schoener, op stapel gezet 29 april 1850
47. Prinses Amelia, schroefstoomkorvet, gebouwd 1853
48. Evertsen, stoomfregat 1e klasse , op stapel gezet 26 oktober 1854
49. Zeeland, stoomfregat 1e klasse , op stapel gezet 28 februari 1856
50. Soembing, schoener, op stapel gezet 17 mei 1856
51. Vesuvius, schroefstoomschip 4e klasse, op stapel gezet 8 oktober 1857
52. Vuurschip, op stapel gezet 9 januari 1858
De Middelburgsche Courant gedateerd Donderdag 19 augustus 1858 vermeldde dat in de avond van de maandag daarvoor de testen met de verlichting succesvol waren. Het lichtschip was bestemd om op de positie Noord Hinder te worden gestationeerd.
53. Adolf Hertog van Nassau, 51-kanons schroefstoomfregat, op stapel gezet 4 december 1858
54. Haarlemmermeer, schroefstoomschip annex flotillieljevaartuig, op stapel gezet 9 juli 1859
55. Leeuwarden, schroefstoomschip 1e klasse, op stapel gezet 6 december 1859
56. Curacao, schroefstoomschip1e klasse, op stapel gezet 14 juli 1860
57. Den Briel, schroefstoomschip 4e klasse, op stapel gezet 14 maart 1861
58. Aart van Nes, schroefstoomschip 4e klasse, op stapel gezet 6 april 1861
59. Loodskotter No. 7,
60. Pro Patria, 15 April 1857 op stapel
Dit was een zogenaamd defensievaartuig in 1857 op stapel gezet en in 1858 voltooid. De Middelburgsche Courant gedateerd Dinsdag 2 November 1858 vermeldt dat toen zij de zaterdagmiddag daarvoor de Dokhaven verliet in aanvaring kwam met de hoogaars van schipper A. Bootsgezel en waarbij de laatste zonk. De marine schoot met een lichter te hulp en wist de hoogaars te bergen en op de helling in de voorhaven te brengen voor reparaties. Overigens is het de vraag of dit defensievaartuig identiek is aan het inundatievaartuig wat in dezelfde periode gebouwd zou worden.
61. Loodskotter No. 3
Noot
1. Stadsarchief Gemeentearchief Vlissingen (inv.no. 5533). Lijst gedateerd 12 December 1875 opgesteld door een medewerker van de Kon.Mij. De Schelde. Als bron gebruikte hij de naamborden die op de zolder werden aangetroffen.
Aangepast 26 juni 2014 20:23 link Cerberus
Oorlogsschepen zijn door de eeuwen heen in Vlissingen gebouwd. Eerst op de Admiraliteitswerf later op de
Marinewerf en vanaf 1875 door de Kon.Mij. De Schelde. De laatste particuliere scheepswerf nam de opstallen, het dok van Perry en de hellingen over van de voormalige marinewerf. Tussen 1817 en 1861 werden op de marinewerf 61 schepen gebouwd voor de Koninklijke Marine inclusief het daaronder ressorterende Loodswezen. (1) Het fregat De Rijn echter was in feite geen nieuwbouw. Een bestaand zeilschip werd omgebouwd tot raderstoomschip. Dit experiment mislukte echter en zij werd teruggebouwd tot zeilschip. De marinewerf bestond in feite uit twee werven, de constructiewerf voor nieuwbouw en de uitrustingswerf (in feite de voormalige admiraliteitswerf) voor het optuigen van de schepen etc. Het Dok van Perry uitkomende op de Dokhaven werd gebruikt voor nieuwbouw, verbouw en reparaties. Ondanks haar kortstondige bestaan is de Vlissingse marinewerf van niet weg te cijferen betekenis geweest. Naast experimenten met stoomvoortstuwing werd ook een deel van de drijvende batterijen als bijvoorbeeld de Draak hier gebouwd en geëxperimenteerd met bepantsering. Een deel van de halfmodellen etc. die op de Vlissingse marinewerf vervaardigd zijn, zijn bewaard gebleven in het Rijksmuseum te Amsterdam. Via de website van dit museum kan men zich hiervan een goed beeld vormen. Onder de hoofdingenieurs die werkzaam zijn geweest op deze werf moeten Turk en Tideman maar bijvoorbeeld ook Tromp genoemd worden. De zogenaamde roeiboten zijn vermoedelijk roeikanonneerboten geweest.
1. De Courier, 18-kanons brik, op stapel gezet 11 juli 1817
Mogelijk gebouwd op een van de hellingen van de voormalige admiraliteitswerf en niet op de nieuw aangelegde hellingen in de Dokhaven.
2. De Zeeuw, 80-kanons linieschip, op stapel gezet 11 juli 1817
3. Euridice, 36-kanons fregat, gebouwd 1820-1821; zie elders op dit weblog de tekst over de wachtschepen te Vlissingen in de eerste helft van de 19e eeuw
4. Koning der Nederlanden, 84-kanons linieschip, op stapel gezet 11 juli 1817
5. No. 3, boot, gebouwd 1821
6. Mercuur, werkvaartuig, gebouwd 1821
7. No. 11, roeiboot, gebouwd 1821
8. De Rijn, 54-kanons fregat, gebouwd 1825-1832
9. Panter, 12-kanons brik, op stapel gezet 24 juni 1823
10. No. 6, boot, gebouwd 1823
11. No. 9, boot, gebouwd 1823
12. Nehalennia, 28-kanons korvet, op stapel gezet 18 december 1824
13. Suriname, stoomschip, op stapel gezet 8 april 1826
14. Windhond, 8-kanons brik, op stapel gezet 7 juni 1826
15. Boreas, 28-kanons korvet, op stapel gezet 31 juli 1828
16. Amphitrite, 32-kanons korvet, op stapel gezet 28 februari 1828
17. Meermin, 18-kanons brik, op stapel gezet 29 augustus 1828
18. No. 15, roeiboot, gebouwd 1828
19. No. 12, roeiboot, gebouwd 1828
20. No. 14, roeiboot, gebouwd 1828
21. No. 13, roeiboot, gebouwd 1828
22. No. 13, boot, gebouwd 1828
23. No. 31, gebouwd 1830
24. No. 32, gebouwd 1830
25. No. 29, gebouwd 1830
26. No. 30, gebouwd 1830
27. No. 33, gebouwd1830
28. No. 34, gebouwd 1830
29. No. 24, gebouwd 1830
30. Snelheid 14-kanons brik, op stapel gezet 4 juni 1831
31. De Ruyter, 1e klasse fregat, op stapel gezet 20 augustus 1831
32. Cerberus, stoomoorlogsschip, op stapel gezet 28 februari 1834
33. Koerier, 18-kanons brik, op stapel gezet 13 juni 1835
34. Etna, stoomoorlogsschip, op stapel gezet 18 september 1837
35. Lynx, 18-kanons brik, op stapel gezet 13 juni 1838
36. Heldin, 20-kanons korvet, op stapel gezet 31 juli 1839
37. Sperwer, 18-kanons brik, op stapel gezet 13 mei 1840
38. Dolfijn, 5-kanons schoener brik, op stapel gezet 31 mei 1842
39. Prins Maurits der Nederlanden, 26-kanons korvet, op stapel gezet 9 juni 1842
40. Adder, 3-kanons schoener, op stapel gezet 4 september 1844
41. Cachelot, 12-kanons brik, op stapel gezet 4 september 1844
42. Vlinder, kotter annex werksloep, op stapel gezet 4 november 1844
43. Schorpioen, 2e klasse schoener, op stapel gezet 13 juni 1845. Volgens de krant 9 mei.
44. Saparoea, 4-kanons schoener brik, op stapel gezet 18 december 1845
45. Padang, 4-kanons schoener brik, op stapel gezet 20 februari 1849
46. Atalante, schoener, op stapel gezet 29 april 1850
47. Prinses Amelia, schroefstoomkorvet, gebouwd 1853
48. Evertsen, stoomfregat 1e klasse , op stapel gezet 26 oktober 1854
49. Zeeland, stoomfregat 1e klasse , op stapel gezet 28 februari 1856
50. Soembing, schoener, op stapel gezet 17 mei 1856
51. Vesuvius, schroefstoomschip 4e klasse, op stapel gezet 8 oktober 1857
52. Vuurschip, op stapel gezet 9 januari 1858
De Middelburgsche Courant gedateerd Donderdag 19 augustus 1858 vermeldde dat in de avond van de maandag daarvoor de testen met de verlichting succesvol waren. Het lichtschip was bestemd om op de positie Noord Hinder te worden gestationeerd.
53. Adolf Hertog van Nassau, 51-kanons schroefstoomfregat, op stapel gezet 4 december 1858
54. Haarlemmermeer, schroefstoomschip annex flotillieljevaartuig, op stapel gezet 9 juli 1859
55. Leeuwarden, schroefstoomschip 1e klasse, op stapel gezet 6 december 1859
56. Curacao, schroefstoomschip1e klasse, op stapel gezet 14 juli 1860
57. Den Briel, schroefstoomschip 4e klasse, op stapel gezet 14 maart 1861
58. Aart van Nes, schroefstoomschip 4e klasse, op stapel gezet 6 april 1861
59. Loodskotter No. 7,
60. Pro Patria, 15 April 1857 op stapel
Dit was een zogenaamd defensievaartuig in 1857 op stapel gezet en in 1858 voltooid. De Middelburgsche Courant gedateerd Dinsdag 2 November 1858 vermeldt dat toen zij de zaterdagmiddag daarvoor de Dokhaven verliet in aanvaring kwam met de hoogaars van schipper A. Bootsgezel en waarbij de laatste zonk. De marine schoot met een lichter te hulp en wist de hoogaars te bergen en op de helling in de voorhaven te brengen voor reparaties. Overigens is het de vraag of dit defensievaartuig identiek is aan het inundatievaartuig wat in dezelfde periode gebouwd zou worden.
61. Loodskotter No. 3
Noot
1. Stadsarchief Gemeentearchief Vlissingen (inv.no. 5533). Lijst gedateerd 12 December 1875 opgesteld door een medewerker van de Kon.Mij. De Schelde. Als bron gebruikte hij de naamborden die op de zolder werden aangetroffen.
Aangepast 26 juni 2014 20:23 link Cerberus
vrijdag 6 december 2013
Stormvloeden bedreigen Vlissingen
Nog niet genoeg tegenwind gehad? Lees dan hoe het Vlissingen vroeger verging met een beetje storm
‘Ongehoorde tempeeste’: stormvloeden bedreigen Vlissingen, 1300-1900
Inleiding
‘De stadt Vlissinge
heeft ook veel geleeden door watervloeden die der op verscheyde tijden geweest
zijn’. Zo begint advocaat Brasser in 1756 zijn hoofdstuk over stormvloeden in
de stadsgeschiedenis van Vlissingen. Vervolgens diept hij uit zijn geheugen een
handvol stormvloeden op uit een lang vervlogen tijd. Als eerste noemt hij de
beruchte storm van 5 november 1530, vervolgens komen 17e-eeuwse
rampen aan bod waar we de jaren 1612, 1630 en 1662 aan moeten koppelen. Langer
staat hij stil bij de stormvloed van 26 januari 1682.
Vlissingen heeft
natuurlijk veel meer stormvloeden gekend dan de door Brasser hier aangehaalde.
Een stad aan zee, een voorpost in de Scheldedelta, het kan niet anders of
stormvloeden in welke vorm dan ook moeten de inwoners vaak parten gespeeld
hebben.
In het hiernavolgende
wordt een chronologisch overzicht gegeven van opmerkelijke stormvloeden en dan
in het bijzonder met betrekking tot Vlissingen en omgeving. Vaak zijn het niet meer
dan een paar feitjes of flarden en blijft verder alles in de nevelen van de
geschiedenis gehuld.
Veelal zijn
kroniekschrijvers aan het woord zoals Reygersberg, die de stormvloeden van 1530
en 1532 uit eigen herinnering weet op te schrijven of hebben we te maken met
contemporaine pamfletten. Soms moeten we het doen met wat latere
kroniekschrijvers ons overleveren.
Het overzicht begint
vroeg in de 14e eeuw en loopt door tot begin 20e eeuw.
1304
‘In ’t jare MCCCIIII [1304]
op Sinte Katherijnen dach was also grooten storm ende onweder met soo
grooten hooghe vloedt dat veel dijcken ende polders in Zeeland overvloeyden.
Walcheren was soo seer overvloeyt dat die dijcken soo seer gheramponeerdt waren
dat die Landtlieden den moet verloren gaven, soo dat sy de macht niet en hadden
te dijcken. Waerom die Graeve selve in ’t landt van Walcheren quam ende heeftet
met die Borsselsche heeren weder beverscht ende bedijckt’.
Hiermee schets de kroniekschrijver Reygersberg de eeuwige
strijd tegen het water; een strijd die mensen ook wel eens moedeloos maakte.
De storm van 1304 zal ook Vlissingen parten gespeeld
hebben; de bronnen laten hierover echter niets los.
1318
In de rekeningen van de grafelijkheid van Zeeland komen we
de eerste aanwijzing van een stormvloed tegen met betrekking tot Vlissingen.
Series rekeningen zijn historische bronnen waar vaak veel uit af te leiden
valt. Zo wordt in de rekening over de periode 20 maart 1318 tot 30 april 1319
gesproken over een hoge vloed waardoor op Walcheren op verschillende plaatsen
schade aan de dijken is ontstaan. In Vlissingen moeten er twee hoofden
gerepareerd worden en zijn er herstelwerkzaamheden aan een dijk. Omdat er op
meerdere plaatsen op Walcheren grote werkzaamheden aan de dijken plaatsvinden
kan het haast niet anders of er is een
stormvloed aan voorafgegaan. De rentmeester van de graaf verantwoordt de kosten
voor Vlissingen als volgt:
Item wtgheleyt in dijcaetsen in Walcheren. Int eirste bi
heren Pieter van Vlissinghe, om den dijc te Vlissinghe te maken bi der scepenen
kanesse, 13 lb.
2 sc.
Item bi Symon den Dynt, den dijcgrave ende den scepenen
wtgheleyt, om dat zuder hoeft te Vlissinghe te maken, 4 lb. Item bi den vors. luden
wtgheleit om tander hoeft te Vlissinghe te maken, 7 lb. 9sc. 4d.
Vaak werd er een inlaagdijk
aangelegd, eigenlijk een dijk achter de dijk, die diende als nooddijk om een eerste doorbraak te kunnen pareren.
Een dergelijke inlaagdijk, ging zodoende nogal eens functioneren als zeewering.
De huidige boulevard van Vlissingen is eigenlijk gebouwd op een nooddijk; de
eigenlijke kustlijn lag verder in zee.
1398-1411
De Vlissingse gemeentearchivaris P.K. Dommisse
constateerde aan de hand van grafelijke
rekeningen, dat er tussen de jaren 1398 en 1411 een landverlies geleden was van
256 gemeten (1 gemet is ca. 0,4
hectare). In 1439 zien we in de grafelijkheidsrekening
een verlies van nog eens 146 gemeten land. Deze vermeldingen aan landverlies zijn niet altijd te
wijten aan een stormvloed. Bij Vlissingen ging men in mei 1439 werken aan een
inlaagdijk. Volgens Gottschalk was dit landverlies te wijten aan de afschurende
werking van de getijdenstromen. Dommisse spreekt wel over een stormvloed maar
noemt geen bronnen.
1477
Op 27 september 1477
deed ook op Walcheren en in overig Zeeland de Damianusvloed van zich spreken.
Om de gaten in de dijken te dichten moest er met man en macht gewerkt worden.
De Middelburgse stadsrekeningen verhalen over de Middelburgse magistraat die
een fors voorschot betaalde van 175
lb. aan lonen voor dijkwerkers, timmerlieden en
schuitlieden om de gevolgen van de ‘ vloetganc’ van 27 september te bestrijden.
In 1478 sloten Middelburg en Vlissingen een overeenkomst over het onderhoud
inzake de Zuiddijk bij Vlissingen. De Middelburgse magistraat had een flinke
vinger in de pap in de Staten van Walcheren en bemoeide zich uit hoofde daarvan
ook met bedijkingen; ook de Middelburgers wilden droge voeten.
1530
De Sint Felixvloed van zaterdag 5 november 1530 ook wel
aangeduid met het dramatisch klinkende ‘Sint Felix quade saterdach’ was voor
heel Zeeland een ramp van grote omvang. De kroniekschrijver Reygersberg begint
zijn relaas over deze ramp met:
‘Binnen denselven jare, den vijfden dach van
slachtmaendt, op Sint Felix dach, was ’t eenen soo grooten storm uyt den
noordtwesten end ’t was ‘s noenens te twaelf uyren soo hooghe ghevloeyt, dat ‘t
water over sommige straten end dijcken liep, hoewel dattet noch twee uyren
vloeyde daer na, eer ’t vol zee was. […] In Walcheren overvloeyden die dijcken
tot diversche steden. Den dijck tusschen die oude havenen van Middelburch ende
Aremuyen brack deure, waer af ‘t landt daer ontrent, eer ’t beverscht was wel
drie weecken lanck besouten was. Te Vlissinghe overvloeyde een stuck van eenen
tooren ende die wal van der stadst brack mede deure, soo dat ’t water in ’t
landt quam, maer het werdt korts daernae weder beverscht.
De predikant van de Engelse hervormde gemeente van
Middelburg S. van Hoek schrijft in 1808: dat de stad Vlissingen in 1530 half
door het water vernield werd en spreekt over een ‘hooge toren, op welken vele
menschen gevlug waren, stortte in, zoo dat al het volk verdronk’. Opmerkelijk
is dat Reygersberg, over dezelfde toren spreekt, maar niet spreekt over
slachtoffers.
Op Sint Felix brak ook de dijk bij Westkapelle op verschillende plaatsen door en ook de wal bij Veere hield het niet. Deze stroomgaten werden door kordaat optreden van Adolf van Bourgondië gedicht. Op Zuid-Beveland en dan met name de Oost-Watering was de schade groter: achttien dorpen en gedeeltelijk de stad Reimerswaal moesten aan de golven worden prijsgegeven.
De rentmeester van Zeeland Adolf Herdinck rapporteerde aan de raad van Financien een somber verhaal. Zeeland was geheel overstroomd. Hij hoopte dat Walcheren behouden kon worden ondanks dat de dijken op het eiland op een twintigtal plaatsen waren doorgebroken. Adolf van Bourgondië, heer van Vlissingen, Veere, Westkapelle en Brouwershaven vreesde voor de definitieve ondergang van Vlissingen en Veere. Door het Luctor et Emergo principe van de bevolking bleef Walcheren behouden. Er werden zelfs prijzen uitgeloofd voor mannen en vrouwen die de meeste zoden aan de dijk zouden zetten. Deze zoden werden in mandjes afgezonken.
De storm van 5 november 1530 is ook de eerste storm waar we uitvoerig over geinformeerd zijn. Twee jaar, zou Zeeland weer een grote vloed treffen; voor Walcheren waren deze keer de gevolgen minder ernstig.
1570
De Allerheiligenvloed van 1 november 1570 betekende ook voor Zeeland weer grote verliezen. In Veere waren de problemen groot terwijl over Vlissingen geen vermeldingen te vinden zijn.
1606
Op tweede paasdag
1606 was er in West-Europa een zware storm die met hoge vloeden gepaard ging.
De gevolgen voor Walcheren kennen we nauwelijks. Uit een brief van Prins
Maurits aan de Staten van Zeeland, gedateerd 29 mei 1606 weten we dat
Vlissingen behoorlijke schade leed. De zeewerken hadden zwaar te lijden gehad
van de ‘ongehoorde tempeeste in de Paeschdagen naest voorleden’.
1621
De eerste keer dat we
in Vlissingen een eigen kroniekschrijver aan het woord zien is in 1621. In het
gemeentearchief van Vlissingen is een handschrift aanwezig met drie korte
beschrijvingen van stormvloeden in relatie tot de stad. Over de stormvloed van
1 november 1621 verhaalt de schrijver; Deeze
vloed is zo hoog geweest op een voet na, als is geweest de vloed van
Alderheiligen anno 1552 [schrijver bedoelt de Allerheiligenvloed van 1
november 1570] hetwelk een remarkabele
vloed geweest is; de Scherminkelstraat is als toen overloopen geweest door ’t
Sas; ’t zelve is meer geweest door verzuim dan anders door den hoogen vloed.
Alomme ofte in ’t meerendeel van de stad is ’t water op de kaay geweest.
1624
Een zijdelings door
Gottschalk genoemde overstroming is die van 19 januari 1624. De Vlissingse
kroniekschrijver heeft het over een ‘zeer
hooge vloed […] dewelke zo hoog is gevloeid dat de nieuwe stad daar de nieuwe
lijnbanen staan zijn vol water gelopen ende groote schade heeft gedaan aan de
lijnbanen ende aan het nieuwe schuttershof aan zekeren vijver daar veele capers
zijn verdronken, is mede de Scherminkelstraat ende andere straaten
ondergeloopen tot een groote schade der gemeente doch daar is niemand gebleven;
den overloop van ’t water is geweest bij ’t nieuwe Schuttershof en is alzo dien
heelen kolk vol water geloopen. Met de ‘nieuwe stad’ wordt het gebied
oostelijk van de Walstraat bedoeld, dat is aangelegd na 1572.
1625
In 1625 zijn niet
minder dan vijf stormvloeden aan de Duitse Noordzeekusten waar te nemen.
Gottschalk ziet in Zuidwestnederland weinig van deze stormen terug. Onze
kroniekschrijver heeft het over een ‘zeer
hooge vloed […] Het water stond alomme op de kaayen ende liep over de straate
bij het duivelshuis naar de Rammekenspoort, stond voor de huizinge van de
burgemeester Jan de Moor op den Nieuwendijk ter halverstraate, onder de nieuwe
molenbrugge […] liep oever de deuren
van ’t sas, zulks dat de nieuwe stad wederom geheel in liep gelijk het
voorleden jaar mede dede, ende liep bij den nieuwe Rammekenspoort over de
straate ende zoude de nieuwe Rammekenspoort uitgelopen hebbent waare dezelve
met aardewerk toebebolwerkt waare geweest […] God bewaare ons voor diergelijken vloed.’
1630
Ook de jurist/kroniekschrijver Brasser gaat wel eens in de
fout. In zijn stadsgeschiedenis heeft hij het over de verschrikkelijk vloed van
1630; hij bedoelt hier de vloed van 5 november 1530. In de Nederlandse
literatuur hebben meerdere schrijvers het jaar 1630 genoemd als jaar van een
zware stormvloed. Andere auteurs namen dit kritiekloos over waardoor dit
misverstand zo nu en dan de kop opsteekt.
1662
Over de storm van 1 maart 1662 meldt Brasser dat ‘het water zoo aen het woeden [was] dat door de golven de deuren van de poorten
der hoofden werden stuckgeslagen’. Een stuk geschut van zesduizend pond op
het Leugenaarsbolwerk werd door de kracht van de golven acht voeten achteruit
geslagen en ook de havenketting werd door de aanstormende golven kapotgeslagen.
Ook de schepen die in haven lagen raakten op drift. Een schip met brandewijn
dreef af naar zee maar kon door enkele waaghalzen toch terug in de haven
gebracht worden. Merkwaardig is dat over deze vloed voor wat betreft Zeeland
weinig bekend is; alleen in West Zeeuws-Vlaanderen zouden enkele polders
ondergelopen zijn.
1682
Een dijkdoorbraak ten zuiden van Westkapelle zorgde voor
grote paniek op Walcheren; het eiland dreigde geheel onder te lopen.
Garnizoenen in Vlissingen en Middelburg werden gereedgehouden om naar
Westkapelle af te marcheren. Na vijf getijen was het gevaar echter grotendeels
geweken. De ellende op Walcheren was zoals wel vaker het grootst in Vlissingen.
Volgens het Pertinent Verhael ,een
pamflet uit 1682, waarin een anonieme Vlissingse briefschrijver zijn verhaal
doet aan zijn lezerspubliek was de ellende groot. ‘De desolaetheyt in dewelke wy zijn door de hooge watervloed, die ons
op maendaghavondt door een stercke windt quam overvallen, is niet om uyt te
spreecken’ . De briefschrijver zegt dat er wel twintig straten 10-12-14
voeten onder water stonden, ‘dat luyden
geen tijdt hadden om eenich van haar goedt te salveren, soo dat de winckeliers
ende burgers alle haer goedt verrot en bedurven is’. Sommige mensen zaten
dertig uur zonder eten of vuur op zolderkamertjes te wachten op hulp. Een
aantal werd met bootjes van de bovenkamertjes weggehaald.
De Hollandse
Mercurius verhaalt dat het water door de Rammekenspoort de stad instroomde
en de lagere delen van de stad onder water zette. Brasser vertelt in zijn
stadsgeschiedenis: Eenige verhalen dat
een bootje op een leuffel der huisen bleeft sitten, den molen agter het
princenhuis wier op een zijde gedronge, den muur bij den logenaar daar ’t
geschudt op legt plofte van boven needer. Het zeewater liep in de kerk stortte
de graven needer en maakte doodkisten driftigh.
Tijdgenoot Jacob Brugge dichtte over Vlissings’ misère:
Daarom is deze stat
met hoog geheven golven
Door straten
overstroomt, ja schenen overdolven
Dan ’t ziltig
pekelnat; soo dat men met een boot
Tot d’ een en d’
ander voer om redden uit haer noot
Pak-huisen digt
beset met kostelijke waren
En kelders
insgelijks zijn door de zware baren
Bedorven
Verschoont ons Heer
nog eens, weest ons al t’ saam genadig
Nog eens tot
overvloed, toond dat gy zijt weldadig
De achttiende eeuw zou wat stormvloeden betreft minder
ellende veroorzaken dan voorgaande eeuwen. Eigenlijk is er voor Vlissingen maar
sprak van één bekende vloed.
1775
14 november 1775 stak de wind met grote kracht op. Van
Hoek schrijft enigszins overdreven dat ‘alom de daken en schoorstenen der
huizen wegvlogen’. Doordat de sluisdeuren in het Dok of niet goed gesloten
waren of kapot sloegen stroomde de Dokhaven zo vol water dat de kades
overliepen. Veel tuinen en huizen, kelders en pakhuizen kwamen daardoor onder
water te staan, waardoor volgens de Middelburgsche
Courant ‘een considerabel bederf aan
goederen is geschied’
De eerste helft van de 19e eeuw deden
stormvloeden weer wel van zich spreken.
1808
Bij de watersnoodramp
van 14 op 15 januari 1808 vielen 33 doden. Fotografie bestond nog niet in die
tijd; wel zijn er indrukwekkende gravures, die een beeld geven van deze ramp.
Deze prenten hingen overigens gewoon bij
de mensen thuis aan de wand.
De Vlissingsche
Courant deed verslag van het gebeuren. De gedeeltelijk afgegraven Wijnbergsche
kade was de zwakke schakel in het geheel bij de overstroming. Bij een
noordwester storm brak deze door en het water stortte zich op het lager gelegen
oostelijk deel van de stad. Door het overlopen van de Achterhaven stroomde daar
het water richting de Walstraat. Ook de Pottekaai stroomde over, en binnen een
halfuur stond meer dan de halve stad onder water. Dit alles ging met grote
snelheid gepaard waardoor veel inwoners die nacht werden verrast.
De Sint Jacobskerk,
de Middelkerk en Lutherse kerk liepen eveneens onder water waarbij, zo meldt
ons de Vlissingsche Courant, de lichamen zelfs uit de graven spoelden.
De materiële schade
was groot: kademuren waren ondergraven, straten verzakt en huizen ingestort.
Regenbakken waren met zout water vermengd geraakt. Dit alles lag onder een
dikke laag slik.
De wijkmeesters
collecteerden voor de getroffenen. Het gemeentebestuur riep op om ruimharig bij
te dragen. Ook koning Lodewijk Napoleon liet zich niet onbetuigd en stelde
50.000 gulden beschikbaar.
1825
de storm van 4 februari 1825 zorgde voor een kortdurende
overlast in de stad. De Middelburgsche courant van 8 februari 1825 informeert
ons uitgebreid. Door het doorbreken van een waterkering (kistdam) bij de Stenen
Beer liep het fout zowel in de Dokhaven als in de Pottekaai. De laatste
stroomde over en het water liep de Kleine Kerkstraat, het Korte Groenewoud en
de Wagenaarstraat in. Door het inzetten van noodwaterkeringen kon dit keer
voorkomen worden dat de zogenaamde Nieuwstad ook weer onder water kwam te
staan. Op de Pottekaai en Wagenaarstraat waren grote verzakkingen ontstaan.
Vele handen zorgden ervoor dat de schade in korte tijd kon worden. Het
psychologische effect was des te groter: velen werden weer herinnerd aan de
rampzalige gebeurtenissen van 1808. Gelukkig vielen er deze keer geen
slachtoffers.
1906
De stormvloed van 12 maart 1906 deed de halve stad onder
water staan. Vlissingen had geen verweer tegen een vloedgolf van 4 meter boven ANP. Het
gemeentebestuur nam draconische maatregelen; rondom het De Ruyterplein en de
Engelse haven moesten muren opgetrokken worden, eveneens bij het Beursplein,
wat de afsluiting van de Koopmanshaven en de achterhaven tot gevolg had. Ook de
Pottekaai werd afgesloten. Omdat men de wateroverlast meer dan zat was besloot
men de overbodige havens te dempen. Zo werd zes eeuwen later het onder graaf
Willem III aangevangen werk weer ongedaan gemaakt.
De ondergelopen Oude Markt
![]() |
| Tussen de kazematten met op de achtergrond de toegang tot de boulevard |
![]() |
| En dan was dit wat je zag |
Bronnen
(Eerder verschenen als artikel in Den Spiegel 2003 nummer 1)
M.K.E. Gottschalk, Stormvloeden en rivieroverstromingen in
Nederland, drie delen:
de periode vóór 1400
– 1700, (Assen 1971 – 1977)
M.P. de Bruin,
‘Stormvloeden en de gevolgen voor Walcheren’, betreft overdruk uit: Jaarverslag polder Walcheren 1953
H.G. Hamaker, De rekeningen der grafelijkheid van Zeeland
onder het Henegouwsche huis, dl 1 (Utrecht 1879)
Jan Reygersbergh, De
oude Chronijcke ende historien van Zeelandt : Van nieuw met eenighe byvoechsels
mitsgaders met de figueren der graeven van Zeelandt vermeerdert
S. van Hoek, Natuur- en Geschiedkundig beschrijving van
den verschrikkelijken watervloed tusschen den XIVden en XVdn van Louwmaand des
jaars MDCCCVIII, (Haarlem 1808)
Gemeentearchief
Vlissingen, Stadsarchief, inventaris De Bruine, inv.nrs 5572 en 5574
Zeeuws documentatiecentrum,
Pamflettenverzameling 2295; Pertinent
Verhael en 2296 Gods slaende handt op
Vlissingen nedergedruckt
Hollantsche Mercurius,
1682
Middelburgsche Courant,
18 november 1775, 8 februari 1825 en 1 december 1836
Ad Tramper, ‘Vrij
zwemmen voor de alligators’, in: Provinciale Zeeuwse Courant, 12 januari 1999.
Abonneren op:
Posts (Atom)




















