Totaal aantal pageviews

maandag 31 augustus 2015

Russisch zeilschip Shtandart gedokt in het Dokje van Perry in 27-31 augustus 2015: een fotorapportage

Afgelopen dagen vond in Vlissingen het maritieme event Vlissingen Maritiem 2015 (28-30 augustus) plaats. Naast een aantal historische sleepboten en vissersschepen waren ook een aantal bijzondere gasten te bewonderen. De Koninklijke marine stuurde haar mijnenjager Zr. Ms. Urk, het Loodswezen de tender Polaris, er lag een historische reddingsboot en twee Russische zeilschepen. Rechtstreeks vanaf Sail Amsterdam kwam het grote zeilschip Mir, afgemeerd tegenover de Timmerfabriek en in het dokje van Perry kwam de Shtandart te liggen. Nu is de Shtandart geen onbekende voor Vlissingen. In augustus 2013 was zij hier ook al te bewonderen. Alleen kwam zij nu te liggen in het Dokje van Perry. Dit dokje werd in 1974 gedempt maar werd een aantal jaren geleden opnieuw uitgegraven en in oude glorie hersteld. Het is dit de tweede keer dat hierin een schip komt te liggen, zij het nog steeds in een met water gevuld dok.

Alexander van Maanen

De Shtandart is een exacte replica van het gelijknamige fregat waarvan op 24 april 1703 op de Olonestky scheepswerf nabij Olonets, Rusland de kiel werd gelegd door de Nederlandse scheepstimmerman Wybe Gerens. De opdracht tot de bouw werd gegeven door de bekende Russische tsaar Peter de Grote. Nu weten de meeste Nederlanders wel dat deze tsaar ook Nederland heeft bezocht en hier zelfs op een scheepswerf heeft gewerkt. Maar weet men ook dat Peter ook Vlissingen heeft bezocht? Weliswaar slechts een kort bezoek maar toch. In 1717 komt hij hier per schip aan. Vermoedelijk is dit schip via de niet meer bestaande toegang naar de Schelde de stad ingevaren en via de Marinesluis aangemeerd in de Dokhaven. Het Dokje van Perry was toen al aangelegd. In dezelfde Dokhaven werden in de tweede helft van de 20e eeuw diverse visfabrieksschepen door de Kon. Mij. De Schelde voor de Sovjet Unie gebouwd. Maar er is nog een relatie tussen het dokje waarin de Shtandart werd gedokt en Rusland. De ontwerper van het dokje, de voormalige Engelse marineofficier John Perry vertrok na zijn werkzaamheden in Vlissingen naar St. Petersburg waar hij betrokken was bij de aanleg van scheepswerven en dokken.

Terugkomend op Vlissingen Maritiem 2015. Op donderdag 27 augustus kwam de Shtandart in Vlissingen aan. Inmiddels waren de nodige werkzaamheden al getroffen om het feitelijke dokken mogelijk te maken. De sleepboot Hermes trok de dokdeur (bateau porte) uit de sponningen. Deze schipdeur kan drijven en werd naast de kade afgemeerd. Hierdoor was de waterstand in het dokje gelijk aan dat in de Dokhaven. Bestuursleden van de Stichting Maritiem Erfgoed Vlissingen waren tegelijkertijd bezig alles gereed te leggen voor het feitelijke afmeren. Om vier bolders werden zeg maar trossen gehangen waaraan stalen kabels werden bevestigd. Verder lagen aan weerszijden van het dokje gangways gereed. Gangways zijn loopplanken voorzien van touwen voor de nodige houvast.


Op maandag 31 augustus vond het uitdokken plaats. Rond 08.00 klonk aan boord van de Shtandart de scheepsbel, het signaal voor haar bemanning dat het aan de slag moest. Een bemanningslid klom de hoge mast in. De sleepboot Hermes werd aan de dokdeur vastgemaakt met trossen.Tegelijkertijd werd overlegd met de bemanning van de Shtandart over de volgorde dat de landvasten moesten worden losgemaakt. Als de dokdeur eruit is getrokken en alle landvasten zijn verwijderd, kan het schip het dokje achterwaarts verlaten. In een soepele boog draait het op de eigen motor, bijgestaan door een dinghy die als boegschroef dient, de Dokhaven in. Om 18.45 passeert het schip de uitkijktoren van het Arsenaal op weg naar haar bestemming: Poole, Engeland. De achterblijvers ruimen alles op. De Hermes duwt nu de dokdeur in de sponningen en de kabels e.d. worden weer opgeborgen in het pompgebouwtje.

 





Het gemeentearchief Vlissingen is het (historische) geheugen van de stad Vlissingen. Het bewaart de papieren en digitale stadsgeschiedenis voor nu en voor de toekomst. Naast ontelbaar veel papieren documenten bezit het gemeentearchief ook een omvangrijke collectie beeldmateriaal waaronder tienduizenden foto's vanaf eind negentiende eeuw tot vandaag de dag. Foto's gemaakt door professionele maar ook door amateurfotografen.Veel van deze foto's zijn al beschreven en gedigitaliseerd en via de website van het Gemeentearchief Vlissingen te zien. In de komende jaren zal de beeldcollectie grootschalig worden uitgebreid. Naast de gemeentelijke archieven beheert het gemeentearchief ook het omvanrijke archief van de Kon. Mij. De Schelde 1875-1970, een bij uitstek maritiem historische bron die onmisbaar is voor het beschrijven van de stadsgeschiedenis. Naast tienduizende foto's bevat dit Scheldearchief ook duizenden tekeningen van schepen, machines, ketels en soms kunstwerken. Een deel (namelijk de Machinefabriek)  is gedigitaliseerd en via het internet toegankelijk gemaakt voor het grote publiek. 

vrijdag 12 juni 2015

Onderzeebootbouw in Vlissingen tussen 1904 en 1940

Verleden week maakte minister van Defensie bekend dat de huidige Walrus-klasse onderzeeboten in 2025 zijn afgeschreven en dan plaats moeten maken voor hun opvolgers.(1) Op het moment zijn een Nederlands-Zweeds consortium (DSNS-Saab) en verder scheepswerven in Duitsland en Frankrijk geïnteresseerd in het binnenhalen van deze miljardenorder. In eerste instantie werd aan vier onderzeeboten gedacht, nu is ook het aantal van zes genoemd.

Gisteren (donderdag 18 juni) vond in het hoofdkantoor van Damen Schelde Naval Shipbuilding (DSNS) de officiële opening plaats van de expositie over onderzeebootbouw in Vlissingen. De opening werd verricht door oud-onderzeebootcommandant en premier Piet de Jong. Onderzeebootbouw is geen onbekend iets in Vlissingen. Voor de Tweede Wereldoorlog was de Kon.Mij. De Schelde hofleverancier van onderzeeboten aan de Koninklijke Marine. Sterker nog de eerste Nederlandse onderzeeboot de O1 werd hier gebouwd en ook de Onderzeedienst werd in Vlissingen opgericht.

Een expositie staat er niet zomaar. Naast het vooraf selecteren van de foto's en de bijbehorende gegevens, worden de foto's afgedrukt en geplakt op polyplaat, de tekstbordjes en passe-partouts voor tekeningen gemaakt en een catalogus geschreven. En dan moet alles op panelen worden geplakt, scheefhangen is uit den boze dus dat betekent aan de slag met duimstok en winkelhaak.

Uitmeten en plakken

Het plaatsen van de diverse modellen, een secuur karweitje

Een blik van bovenaf, zichtbaar een deel van de panelen en de meubels met modellen

De Franse schrijver Jules Verne (1828-1905) publiceert in 1869-1870 zijn 20.000 mijlen onder zee waarin het grote publiek kennis kon maken met de avonturen van kapitein Nemo en zijn Nautilus. Onderzeeboten waren op het moment van het verschijnen van zijn boek geen onbekend fenomeen, maar er waren maar weinig mensen die in de praktijk een dergelijk onderzees monster hadden gezien. Toch waren ze in de net afgelopen Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) al ingezet waarbij de USS Housatonic tot zinken gebracht werd. De Housatonic heeft de illustere roem het eerste oorlogsschip tot zinken gebracht door een onderzeeboot te zijn. Al eeuwen lang dromen mensen van schepen die onder water kunnen varen. Nederlanders als Cornelis Drebbel (1572-1633) hebben hierbij een rol gespeeld. Drebbel experimenteerde tussen 1620 en 1624 in Engeland. In 1620 bleef zijn model zelfs drie uur onder water in de Thames onderweg van de Londense Tower naar Greenwich.

In de 19e eeuw ontwierpen Antoine Lipkens (1782-1847) en de marineofficier Olke Uhlenbeck (1810-1833) een onderzeeboot met een bemanning van 5 koppen. De Koninklijke Marine nam echter het ontwerp niet over en het is nooit gerealiseerd. Wat resteert is een model in het Rijksmuseum te Amsterdam.

Het onderzeebootontwerp van Antoine Lipkens en Olke Uhlenbeck 1835-1840
Rijksmuseum Amsterdam, Netherlands object NG-MC-1156 Original url

Vanuit de Koninklijke Marine en het toenmalige Departement van Marine was men in het laatste kwart van de negentiende eeuw passief geïnteresseerd in onderzeeboten. Op een aanbod om bijvoorbeeld in Zweden aanwezig te zijn bij de bouw reageerde de minister afwijzend. Wel vroeg hij om na afloop documentatie toe te sturen. In 1899 werd de minister actiever door zijn ambtscollega van buitenlandse zaken in te schakelen om meer informatie te verkrijgen over de door John Philip Holland (1840-1914) ontworpen onderzeeboot te leveren, via de Electric Boat Company. Twee jaar werden zelfs Nederlandse marineofficieren naar de Verenigde Staten voor dit doel gestuurd. Dit alles leverde echter niets op. Er was een andere ontwikkeling gaande die resulteerde in onderzeebootbouw in Vlissingen. De Kon.Mij. De Schelde raakte geïnteresseerd en trachtte tevergeefs zelfs ontwerper Holland in dienst te nemen. Men kreeg toestemming de Holland 7P in licentie te gaan bouwen. Dit werd de Luctor et Emergo die zonder een officiële toezegging van de Koninklijke Marine werd gebouwd. Dat ging echter niet zonder slag of stoot. De eerste tests mislukten totaal ondanks de aanwezigheid van Amerikaanse experts. Het was de Nederlandse marineofficier Paul Koster die er in slaagde van de Luctor et Emergo een succes te maken. Op 21 december 1906 werd zij als de Hr.Ms. O in dienst gesteld bij de Koninklijke Marine. Dit betekende tevens de oprichting van de Onderzeedienst. De Schelde werd de voornaamste leverancier van onderzeeboten aan de Koninklijke Marine. Het had anders kunnen lopen want de Schiedamse werf Gusto had in 1906 ook een onderzeebootafdeling met aan het hoofd de ervaren Franse ingenieur Maxime Laubeuf opgericht. Daar kwam de onderzeebootbouw echter niet van de grond.

De O1 in het Dokje van Perry in juli 1905 (GAV FA529)

De Kon.Mij. De Schelde bleef in de daaropvolgende jaren voortborduren op het Electric Boat Company ontwerp dat echter continue werd aangepast. Ook de Engelse firma Whitehead, onder meer leverancier van torpedo’s, speelde hierbij een grote rol. Whitehead richtte in Fiume (tegenwoordig Rijeka, Croatia) een fabriek op voor de bouw van onderzeeboten. Paul Koster verliet de marinedienst en werd als directeur benoemd. En passant nam hij een deel van het personeel van de De Schelde mee, vermoedelijk allen betrokken geweest bij de bouw van de O 1 ! Tussen 1906 en 1913 werkten diverse Nederlanders daar onder meer aan de bouw van onderzeeboten voor de Oostenrijkse marine. Koster speelde een dubbelrol, want hij trachtte voor de De Schelde ook orders binnen te slepen voor de Scandinavische landen. België en in 1912 voor Oostenrijk. Dat laatste is opvallend want in Fiume waar hij directeur was, werd juist voor Oostenrijk gebouwd. Overigens wees De Schelde deze opdracht van de hand. De Schotse ingenieur Marley Fotheringham Hay, aanvankelijk in dienst bij de Electric Boat Company, was van groot belang bij de doorontwikkeling van het eerste onderzeeboot concept. Hij is naast Den Haag ook woonachtig geweest in Vlissingen waar op 21 november 1906 zijn zoon John Liston werd geboren. Op zijn naam staan diverse octrooien en hij was aanwezig tijdens de bouw van diverse onderzeeboten op de Vlissingse werf. In 1917 verscheen zijn standaardwerk getiteld “Secrets of the Submarine.”


Impressie van de Schelde-Gunning onderzeeboot (RvM)

Proefopstelling op de mallenzolder maart 1930 (GAV KMS T513.2215)

Naast het bouwen voor rekening van de ministeries van Marine (de O-klasse) en Koloniën (de K-klasse) oriënteerde De Schelde zich ook op de internationale markt. Hiervoor werd ook een eigen ontwerp gemaakt, namelijk de Schelde-Gunning onderzeeboot mijnenlegger waarvoor internationaal octrooien werden verkregen tussen 1929 en 1934.(2) Dit onderwerp kwam echter nooit verder dan de tekentafel. Besprekingen met een Parijse firma voor in licentie bouwen en levering aan bijvoorbeeld Portugal en Noorwegen liepen op niets uit. Wat resteert zijn onder meer een brochure en een enkele foto van een op ware schaal nagebouwd halfmodel. In 1933-1934 was De Schelde in gesprek met Brazilië voor de bouw van onderzeeboot mijnenleggers echter niet op basis van het eigen ontwerp maar dat van het Ingenieurskantoor voor Scheepsbouw NV (INKAVOS).

O13 gereed voor de tewaterlating (GAV KMS T513.1875 gedateerd 18-04-1931)

Het totale onderzeebootprogramma, gerealiseerd door De Schelde bevat dan ook ‘slechts’ een onderzeeboot voor buitenlandse rekening, namelijk de Orzel voor Polen. Dit zegt niets over de kwaliteit van de werf die zich staande moest houden in een periode waarin men kampte met een wereldomvattende economische crisis en hevige concurrentie van andere scheepswerven. Voor de Koninklijke Marine werden onder meer de O13 en de O21 gerealiseerd. Daar waar de O13 verloren ging met man en muis en tot op vandaag de dag nog steeds vermist is, was de O21 een van de meest succesvolle Nederlandse onderzeeboten tijdens de Tweede Wereldoorlog. Na afloop van dezelfde oorlog was de Onderzeedienst tot een minimum teruggebracht. De meeste vooroorlogse onderzeeboten waren of verloren gegaan of uit dienst gesteld of nagenoeg opgevaren. In de jaren twintig begon de Koninklijke Marine zelf haar onderzeeboten te ontwerpen. Als men na de Tweede Wereldoorlog deze wijze van werken wilt voortzetten, ontstaat een ‘strijd’ met bovengenoemd NEVESBU. Er is een hevige discussie over de vorm van de onderzeeboot te weten het traditionele model contra het 3-cylinder concept. Uiteindelijk kiest men voor het laatste concept. De Schelde is intensief betrokken bij de ontwikkeling al worden in Vlissingen geen onderzeeboten meer gebouwd.

Noten
1. In de spreektaal worden de termen duikboot en onderzeeboot door elkaar heen gebruikt. De duikboot is in feite de voorganger van de onderzeeboot. Weliswaar kan een duikboot onder water varen, maar in principe deed hij dienst aan de oppervlakte. De bewapening uit kanons en mitrailleurs naast de torpedobuizen wijst hier ook op. Aan de oppervlakte was de snelheid ook veel hoger dan onder water. Men ging onder water voor een aanval of om te ontsnappen wanneer men zelf werd aangevallen. De omslag kwam toen het technisch mogelijk werd gedurende langere tijd onder water te blijven. Dit onder meer dankzij de uitvinding van de zogenaamde snuiverinstallatie.
2. Maximiliaan Frederik Gunning (1895-1972), een scheepsbouwkundig ingenieur aanvankelijk in dienst van de Koninklijke Marine als hoofd tekenkamer bureau scheepsbouw. In 1926 werd hij benoemd tot hoofd afdeling marinescheepsbouw De Schelde. In 1935 werd mede dankzij zijn inspanningen de N.V. Verenigde Scheepsbouw-bureaux (NEVESBU) te ‘s-Gravenhageopgericht. Gunning werd hiervan directeur. NEVESBU waarin de belangrijkste Nederlandse scheepswerven waren verenigd speelde een belangrijke rol bij de verwerving van marineopdrachten inclusief de aanbouw van twee Poolse onderzeeboten waaronder de Orzel. In latere jaren was hij de grote man achter het zogenaamde 3-cylinder ontwerp. Ondanks dat dit een goed ontwerp was, zijn onderzeeboten van dit type alleen voor de Koninklijke Marine gebouwd. 

De expositie is tot en met 29 juli 2015 geopend op de woensdagmiddagen tussen 13.00 en 17.00 uur op het bezoekadres Glacisstraat 165 te Vlissingen. 

maandag 27 april 2015

Nederlands passagiersschip Willem Ruys beoogd oorlogsschip voor handelsoorlog in de Pacific

Op woensdag 27 april 2015 wordt de gemeente Vlissingen De Willem Ruysstraat rijker. Het passagiersschip Willem Ruys is vermoedelijk het bekendste schip ooit gebouwd door de Kon.Mij. De Schelde. Het werd vernoemd naar Willem Ruys (1894-1942), directeur van de Koninklijke Rotterdamsche Lloyd en voor welke rederij het schip ook werd gebouwd. Op stapel gezet op 25 januari 1939 overleefde het schip op miraculeuze wijze de tweede Wereldoorlog wat bijdroeg aan de mythevorming rondom haar. Zo zou zij nadat de stad bevrijd was zelfs de drinkwatervoorziening voor de Vlissingse bevolking hebben verzorgd. Na de oorlog afgebouwd -op 1 juli 1946 te water gelaten - zou het schip een alles behalve saaie loopbaan hebben. De Willem Ruys deed dienst op de lijn Nederland-Nederlands Indië het latere Indonesië. Na 1958 werd zij ingrijpend verbouwd en tenslotte in 1964 aan de Italiaanse rederij Lauro Line verkocht die haar Achille Lauro herdoopte en inzette als cruiseschip. In 1985 haalde het schip het wereldnieuws toen zij door leden van het Front voor de Bevrijding van Palestina werd gekaapt. In 1993 passeerde zij Vlissingen op weg naar Antwerpen. Het was de laatste keer dat men in de stad waar zij gebouwd werd haar kon zien. Op 2 december 1994 zonk zij voor de Somalische kust nadat op 30 november een brand was uitgebroken. Wat de meeste mensen echter niet zullen weten is dat de Willem Ruys ooit bestemd was om als oorlogsschip dienst te doen.

Fotocollectie Gemeentearchief Vlissingen FA13122. Gedateerd 1941

In tegenstelling tot andere maritieme landen maakte Nederland geen gebruik van hulpkruisers op één uitzondering na. Hulpkruisers waren (zwaar) bewapende koopvaardijschepen die werden gebruikt voor het beschermen van konvooien of het vernietigen van vijandelijke koopvaardijschepen. Toevallig was ook dat een schip voor de Koninklijke Rotterdamsche Lloyd door de Kon.Mij. De Schelde gebouwd, namelijk de Tabanan. Aan het eind van de Eerste Wereldoorlog besloot Nederland een konvooi te zenden naar het Nederlands-Indië. Bij gebrek aan voldoende oorlogsschepen werd de Tabanan gehuurd en voorzien van enkele kanons. Zij was en is tot nog toe de eerste en laatste Nederlandse hulpkruiser. Het konvooi ging uiteindelijk op weg nadat Engeland schoorvoetend hiermee had ingestemd.
De Tabanan (RvM)
Afgezien van het aangaan van contracten met sleepbootrederijen nam Nederland na de Eerste Wereldoorlog geen maatregelen om in geval van oorlog over voldoende drijvend materiaal voor bijvoorbeeld bewaking- en communicatiedoeleinden te beschikken. Dat veranderde in de jaren dertig toen de Amsterdamse rederij Stoomvaart Maatschappij Nederland (SMN) een snel mailschip wilde bouwen die geschikt zou zijn als hulpkruiser. De Koninklijke Marine werd benaderd of deze mening werd gedeeld en of men geneigd was financieel bij te dragen in de te treffen voorzieningen als fundaties. De marine stond hier niet afwijzend tegenover en naar goed Nederlands gebruik werd een commissie ingesteld. In een beleidsstuk kwam duidelijk naar voren dat bij een oorlog in de Pacific, waarbij Nederland niet bedreigd werd, de regering direct opdracht zou geven tot het voeren van een handelsoorlog. Hiervoor waren minimaal vier hulpkruisers nodig, een voor de westkust van Noord- en 1 voor de westkust van Zuid-Amerika, 1 in de Australische wateren en 1 in de Indische Oceaan. Omdat de hiervoor in aanmerking komende schepen zich over de gehele wereld bevonden, was een reserve van minimaal vier schepen noodzakelijk. Met andere woorden men kon beschikken over acht schepen voorzien van kanonfundaties. Met name de Willem Ruys en de Oranje behoorden tot de schepen die men persé in zee wilde brengen. De achterliggende gedachte bij het voeren van een handelsoorlog was dat een potentiële tegenstander -met name dacht men aan Japan- gedwongen werd meer oorlogsschepen te gaan inzetten voor escort taken. Hierdoor zouden minder oorlogsschepen beschikbaar zijn voor een invasie in Nederlands-Indië.

Men kende A en B klasse hulpkruisers. De Willem Ruys behoorde net als haar grote concurrent Oranje van de SMN tot de A-klasse. Beide schepen zouden worden bewapend met 4x2-12cm kanons en 2x2-4cm anti luchtdoel mitrailleurs. Helaas beschikte de Koninklijke Marine niet over een geschutsreserve en moesten opdrachten aan buitenlandse firma‘s worden gegeven voor de levering. De eerste 12cm kanons zouden echter pas op 1 juni 1941 kunnen worden geleverd, alleen toen was Nederlands al een jaar bezet.

Van zowel de Willem Ruys als de Oranje bestond de bemanning als hulpkruiser uit 1 hoofdofficier, 22 dek-, administratie en gezondheidsofficieren, 36 officieren machinekamer en monteurs, 7 dekonderofficieren, schrijvers, hofmeesters etc. 13 onderofficieren machinekamer, koks, botteliers, konstabels etc., 16 kwartiermeesters, schrijvers, hofmeesters etc., 4 korporaal machinisten, kok, botteliers, konstabels etc. 300 matrozen, schrijvers. Hofmeesters, telegrafisten etc., 64 stokers, koks, botteliers etc., 1 onderofficier der mariniers en 22 mariniers. De benodigde onderofficieren voor het geschut en de kanonniers zouden in principe moeten geleverd vanuit de mijnenleggers in Nederland.

Impressie van de Willem Ruys uitgerust als hulpkruiser, tekening Ron van Maanen
Het is niet bekend in welke mate haar tuigplan zou worden gehandhaafd

De Willem Ruys werd dus nooit in dienst gesteld als hulpkruiser. Maar stel dat dat wel was gebeurd. Misschien was het dan heel anders afgelopen met haar. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben zowel de Geallieerden als de As-mogendheden gebruik gemaakt van hulpkruisers. Met name Duitsland zette de hulpkruiser in voor het aanvallen en vernietigen van de geallieerde koopvaardij. Engeland daarentegen maakte gebruik van hulpkruisers om konvooien te beschermen bij gebrek aan voldoende echte oorlogsschepen. Een zo’n hulpkruiser was de HMS Jervis Bay. Dit in 1922 gebouwde passagiersschip bewapend met 7-15cm kanons and 2-7,62cm kanons deed sinds 24 augustus 1939 dienst als hulpkruiser en beschermde in november 1940 een konvooi op de Atlantische Oceaan. Onderweg werd het konvooi aangevallen door het Duitse vestzakslagship Admiral Scheer. De kapitein van de Jervis Bay viel het Duitse oorlogsschip aan om zo zijn konvooi de gelegenheid te bieden om aan de vijand te ontsnappen. Na één eenzijdig gevecht tegen een veel sterkere tegenstander ging de Jervis Bay ten onder. Van haar bemanning overleefden slechts 68 man van de 254 het. Het konvooi wist grotendeels te ontsnappen. Stel dat de Willem Ruys afgebouwd en bewapend tijdig Nederland had kunnen verlaten en dat zij ingezet was voor de bescherming van konvooien? Zij was een slag groter dan de Jervis Bay en veel sneller. Misschien had zij dan het gevecht geleverd met het Duitse oorlogsschip of was zij in de Indische wateren actief geweest en had zelf het ene na het andere Japanse koopvaardijschip in de grond geboord? Dat alles is zoals we weten niet gebeurd.

Archief Kon.Mij. De Schelde toegang 533.5455

Bestaat er wel bewijs of men ooit plannen had om de Willem Ruys uit te rusten als hulpkruiser. Ja is het antwoord. Zo bevat het archief van de Marinestaf 1886-1942 (Nationaal Archief, ‘s-Gravenhage) diverse documenten over dit onderwerp. Dichter bij huis is ook wat bewaard. Bij het voorbereiden van het tekeningenproject van de Kon.Mij. De Schelde zijn wij op zoek gegaan of er wellicht nog iets bewaard was gebleven in het ‘Schelde’-archief. Wij kwamen verwijzingen tegen dat er tekeningen waren geweest, maar deze zouden zijn overgedragen aan de Koninklijke Marine. Tot dan toe had niemand dergelijke tekeningen (meer) gezien. Uiteindelijk zijn toch een paar tekeningen boven water gekomen. Zo weten we dat het anti luchtdoelgeschut geplaatst werd tussen beide schoorstenen. De 12 cm kanons waren verdeeld over vier dubbelloops geschuttorens, twee op het voorschip en twee op het achterschip.

zaterdag 18 april 2015

Japanse oorlogsschepen bezochten Vlissingen in 1907

32787/FA25923 (GA Vlissingen)

We hebben maar één kleine foto van een bezoek door de Japanse marine in Vlissingen in 1907. Niet opzienbarend is de eerste gedachte tenzij je het verhaal achter die foto weet. Als we dieper de geschiedenis induiken, dan zien we dat dankzij de Verenigde Oost-Indische Compagnie Nederland en Japan een relatie hebben die zich over eeuwen uitstrekt. Sterker nog, Nederlandse kooplieden waren vanaf 1641 de enige West-Europeanen met een vaste verblijf- en woonplaats in het Japanse rijk, namelijk op het eiland Decima. Japan sloot zich van de buitenwereld af tot in 1853 een Amerikaanse oorlogsvloot Japan dwong haar havens open te stellen voor de buitenwereld en dus niet alleen voor Nederland. In een rap tempo begon de modernisering van Japan. Nederland speelde hierbij een niet onder te schatten rol en hielp bijvoorbeeld bij de opbouw van de Japanse marine. Tegelijkertijd begon de invloed van Japan in Zuid-Oost Azië toe te nemen. Dit leidde tot een oorlog met het Chinese keizerrijk waarbij de moderne Chinese vloot verpletterend werd verslagen door de Japanse. Dit was een teken aan de wand voor de toekomst. Tussen 1904 en 1905 waren de Russische en Japanse keizerrijken in oorlog waarbij Rusland vernietigend werd verslagen. Plots waren de ogen van het Westen gericht op Japan. Immers niemand had verwacht dat een Aziatisch land een gevestigde Europese macht kon verslaan. Ook in Nederland reageerde men ongerust. Tijdens de uitbraak van de Russisch-Japanse oorlog (8 februari 1904 and 5 september 1905) was al duidelijk geworden dat de Nederlandse marine niet opgewassen was tegen Rusland noch Japan terwijl Nederland op dat moment nog Nederlands-Indië [het huidige Indonesië] met rijke grondstoffen bezat. (1)

De Asagiri, Umigiri en Kashima op het IJ, Amsterdam juli 2008 (foto RvM)

Japan besloot na 1905 tot een ‘vriendschapsoffensief’ en zond hiertoe een paar oorlogsschepen die onder meer de Verenigde Staten, Engeland maar ook Nederland, met name Vlissingen bezochten. In 2008 gebeurde dat opnieuw toen drie Japanse oorlogsschepen Amsterdam bezochten in het kader van 400 jaar handelsbetrekkingen. Terug naar 1907. Opvallend is dat alle met name genoemde officieren hun loopbaan afsloten in de rang van (vice) admiraal.

In de lokale kranten werd aandacht besteed aan het bezoek in 1907. Opvallend is de spraakverwarring over de diverse tijdstippen c.q. data. De Vlissingse Courant van 4 juli meldde dat op vermoedelijk de 7e de twee Japanse oorlogsschepen Tsukuba (2) en Chitose (3) Vlissingen zouden aandoen voor een bezoek van enkele dagen. (4)

De editie van Dinsdag 9 juli meldt een aankomst op maandagmorgen van de schepen komende van Oostende, België. ‘s Avonds vertrokken enkele Japanse vlag- en hoofdofficieren met de trein van 18.55 naar paleis het Loo voor een ontvangst door Hr.Ms. Koningin Wilhelmina. Ondertussen wemelde het in de stad Vlissingen van Japanse matrozen die bijna alle winkels bezochten. Het kopen bleef echter bij de verwachtingen achterwege omdat slechts een enkeling onder hen wat gebroken Engels sprak en omdat de tegenwaarde van de Japanse munt onbekend was. Volgens de krant was de waarde van de yen (onderverdeeld in 100 sen) ongeveer gelijk aan twee Nederlandse guldens. Bij een onderzoek bleek dat de plaatselijke kassiers ƒ 1,20 gaven voor een gouden yen en voor een zilveren yen ƒ 1.

Een dag later (editie Woensdag 10e) luidde het dat de Japanse vlootvoogd en zijn officieren waren uitgenodigd om op de 9e het diner op pales Het Loo te gebruiken. Hierbij waren verder aanwezig de Japanse gezant Aimaro Sato (5), schout-bij-nacht Havao Shimamura (6), president van de marineacademie te Etajima, de Nederlandse minister van marine Cohen Stuart (7), schout-bij-nacht Römer (8), directeur en commandant van de marine te Hellevoetsluis en luitenant ter zee 1se klas K.F. Sluys (9) tijdelijk toegewezen aan de Japanse delegatie. Op de 9e arriveerde men om 5.00 [17.00] uur op het station Apeldoorn waar men opgehaald werd met koetsen voor het diner met de koningin en haar prins-gemaal. Huzaren uit Deventer verzorgden de bijpassende muziek. Met de trein van 8.14 [20.14] uur keerde men terug. landelijke bladen als het Algemeen Handelsblad maar ook de De Nieuwe Tilburgsche Courant vermeldt dat de koningin op maandag werd bezocht. Om 16.56 kwam het gezelschap op het station daar aan om om 18.12 weer te vertrekken.

Op de 10e werd een lunch aangeboden door de Japanse gezant waarvoor ook de ministers van buitenlandse zaken en de marine waren uitgenodigd. De Japanse vlootvoogd wilde op Woensdag 9de (10e dus) de Rotterdamse Waterweg en de haven bezoeken.

De Tsukuba, tekening Ron van Maanen

In de editie van Donderdag 11 juli staat een uitgebreid stuk over het bezoek afgelegd door de Japanse ‘koolzwarte’ schepen Het stuk werd geschreven door een journalist [N.v.N.] die per trein was afgereisd naar Vlissingen en op Zondagmorgen [de 7e!] net op tijd arriveerde om de Japanners te zien aankomen. De opmerking die hij maakte over de Japanse vlag was niet gepast. Volgens hem ‘door ‘een Zeeuwsch boerinnetje als een “roode spin op een witten doek gekwalificeerd.” Het waren de modernste schepen die Japan bezat en bemand door meer dan 1.200 ervaren zeelieden met oorlogservaring uit ‘den jongsten oorlog’[die met Rusland dus]. Hun eerste bezoek was aan Hampton Roads, Verenigde Staten waar zij deelnamen aan de vlootrevue tijdens de viering van het 350-jarig bestaan van de kolonie Jamestown. Vandaar voer men door naar Engeland, naar Kiel, Duitsland voor de Kielerwoche, waar de Duitse keizer de Tsukuba bezocht, Oostende in België en toen naar Vlissingen. Maar dan maakt de journalist een intrigerende opmerking. Vlissingen gelegen aan de Schelde was ondanks haar strategische ligging en de aanwezigheid van een grote scheepswerf (Kon.Mij. De Schelde) niet beschermd door landbatterijen en er was geen enkel Nederlandse oorlogsschip aanwezig. Dit laatste is bevreemdend omdat tijdens de oorlog tussen Rusland en Japan juist weer een zwaarder oorlogsschip [de rammonitor Hr.Ms. Reinier Claeszen] in Vlissingen was gestationeerd en niet volstaan werd met alleen een oude stoomkanonneerboot. Nu was blijkbaar zelfs het wachtschip afwezig.(10) Hoe het ook zij beide Japanse schepen ankerden circa-23 mijl uit de kust en de Nederlandse schout-bij-nacht Römer (11) met zijn adjudant C. Fock voeren per stoomsloep naar het vlaggenschip Tsukuba voor een verwelkoming namens de Nederlandse minister van marine.

Commandant van de Tsukuba was kapitein ter zee Takenouchi [Takenouchi Heitaro] (12). De Chitose, die volgens de journalist vergelijkbaar was met een van onze eigen pantserschepen, werd gecommandeerd door kapitein ter zee Yamay [Tanin Yamya ] (13). Dit laatste schip had actief aan de oorlog tegen Rusland deelgenomen en had onder meer het Russische oorlogsschip Novik zwaar beschadigd.

Eigenlijk is het gehele artikel behoorlijk chauvinistisch en verre van neutraal geschreven. Dat valt ook op wanneer de Japanse matrozen werden beschreven. Hun kleding was vergelijkbaar met die van de Nederlandse matrozen, afgezien van de mutslinten versierd met ankers. Hij vervolgt met ‘Al lijken ze ook kleiner en zwakker dan onze Zeeuwen, toch ziet men duidelijk, dat deze kleine, gele mannetjes kracht en taaiheid bezitten.’ Geen woord over dat deze Japanse matrozen een paar jaar eerder het onmogelijk geachte hadden gerealiseerd, namelijk een van de Europese grote mogendheden verslaan. Wel viel het hem op dat Japanse en Nederlandse matrozen al direct met elkaar contact zochten in een voor hem onbegrijpelijke mengelmoes van Engels, Japans en Nederlands. Dit staat bekend als een Pidgin taal, bijvoorbeeld Pidgin-Engels. Het komen en gaan van stoomsloepen van de Japanse schepen naar de wal en terug werd door een steeds groter worden publiek gadeslagen. Langs de gehele boulevard flaneerden belangstellenden die zich ook verzamelden bij het standbeeld van de De Ruyter. Vanuit Antwerpen kwamen zelfs drie boten afgevaren met aan boord belangstellenden.

Die middag verliet om 16.15 de Japanse vice admiraal Ijuin (14) zijn schip vergezeld door chef staf kapitein luitenant Isam[u] Takeshita (15), aide-de-camp Yamamoto (16) en kapitein Takenonchi [Takenouchi Heitaro] . Zij werden vergezeld door de Nederlandse luitenant ter zee 1e klasse K.F. Sluys die hun toegewezen was. De bedoeling was Römer een tegenbezoek te brengen die zich op dat moment in hotel Zeeland bevond. Ijuin was tijdens de oorlog met Rusland souschef van de marinestaf en was deels opgeleid in Engeland waardoor hij vloeiend Engels sprak. Blijkbaar was Vlissingen geen onbekend terrein voor hem want in het artikel staat dat hij vijf jaar eerder ook al Vlissingen met twee oorlogsschepen had aangedaan. Na het bezoek aan de Nederlandse schout-bij-nacht reisde de Admiraal door naar Den Haag vergezeld door de Japanse afgezant Sato. Dat bezoek aan Den Haag wordt ook vermeld in de editie van de 10e, alleen het blijft onduidelijk of dat nu plaatsvond op de 8e of op de 9e.

De editie van de Zaterdag 13e meldde dat de Tskuba in de morgen van de 12e vertrok naar Portsmouth, gevolgd door de Chitose in de avond, Het vertrek van de laatste was vertraagd doordat men een verloren anker moest opvissen.

Noten
1. Ondanks dat de politici zowel in Nederland als in Nederlands-Indië beseften dat de Koninklijke Marine niet over de middelen beschikte een invasie te verhinderen, werden niet de financiën beschikbaar aangesteld voor de aanbouw van grote, zwaar bewapende schepen.Toen het benodigde budget wel beschikbaar kwam, verhinderde het uitbreken van de Eerste respectievelijk Tweede Wereldoorlog de daadwerkelijke aanbouw van slagschepen en of- kruisers. Zie ook http://warshipsresearch.blogspot.nl/2011/11/russian-and-japanese-navies-and.html voor de Koninklijke Marine in de Oost in 1904-1905 en voor de aanbouw van slagschepen het artikel “Een Zeeuwse dreadnought 1912-1914?”, Den Spiegel, nr. 2014-1, p. 14-19
2. Gepantserde kruiser, later aangeduid als slagkruiser. Gebouwd op de Kure marinewerf in Japan tussen 1905-1907, op 14 januari 1917 in de lucht gevlogen met het verlies van 305 mensenlevens. Zij had een waterverplaatsing van 16.500 ton en de afmetingen van 137,11 x 22,80 x 7,95 meters. De bewapening bestond uit 4-30,5cm kanons, 12-15,2cm kanons, 12-12cm kanons, 4-3pd snelvuurkanons en 3-45cm torpedobuizen. Haar bemanning telde 879 koppen. Ter vergelijking, het nieuwste Nederlandse pantserschip was de Hertog Hendrik gebouwd in 1901-1904 met een waterverplaatsing van 5.002 ton en als afmetingen 96,62 x 15,18 meters, een bemanning van 340 koppen en een bewapening van 2-24cm, 4-15cm kanons, 8-7,5cm kanons en 3-45cm torpedobuizen. Een schril contrast. Overigens lag de Hertog Hendrik ten tijde van de Russisch-Japanse oorlog in Nederlands Oost-Indië ter bescherming van onze neutraliteit. De in Vlissingen gebouwde Noord-Brabant lag daar toen ook!
3. Ook de Chitose was een gepantserde kruiser zij het van geringere afmetingen. Zij werd gebouwd bij Union Iron Works, San Francisco tussen 1897-1898 en werd uiteindelijk door de Japanse marine afgezonken in 1931. Met een waterverplaatsing van 4.760 ton en de afmetingen van 115,3 x 15,1 x 5,41 meter was zij zoals een journalist opmerkte meer vergelijkbaar met het beste wat de Koninklijke Marine kon bieden. Haar bemanning telde 405 koppen. De bewapening bestond uit 2-20,3cm kanons, 10-12cm kanons, 12-12pd kanons, 5-4,7cm kanons en 3-360cm torpedo buizen.
4. Dezelfde maand veroorzaakten het bezoek van drie Japanse pantserschepen aan Batavia [Djakarta] grote opwinding onder de bevolking aldaar. De drie schepen kwamen daar kolen laden.
5. Sato Aimaro (3 april 1857-1 September 1939) Gezant bij het Nederlandse hof sinds 1906/1907 en in 1914 benoemd als ambassadeur te Wenen en later in Bern.
6. Baron Shimamura Hayao (21 September 1858-8 januari 1923), in actieve dienst tussen 1874 en 1921, die zijn loopbaan afsloot in de rang van marshal admiral. Hij was inderdaad onder meer commandant van de Japanse marine academie.
7. William James Cohen Stuart (4 maart 1857-2 juni 1935), minister van marine tussen 17 augustus 1905-5 augustus 1907 en ook marineofficier met als eindrang kapitein ter zee als commandant van het pantserdekschip Hr.Ms. Friesland.
8. Willem Römer (20 januari 1851-14 oktober 1927), eindigde zijn loopbaan in de rang van vice-admiraal. Vlissingen was destijds dus duidelijk van ondergeschikt belang binnen het Nederlandse defensiebeleid.
9. Karel Frederik Sluijs (13 oktober 1871 Kanazawa, Japan-9 maart 1939 Den Haag), in actieve dienst tussen 1890 en 1927, die als chef van de marinestaf zijn loopbaan afsloot in de rang van vice admiraal.
10. De Hr.Ms. Bulgia vanaf 22 oktober 1894 gestationeerd te Vlissingen vertrok lag de maand daarvoor te Amsterdam om deel te nemen aan oefeningen op de Zuiderzee [nu IJsselmeer] tussen 3-4 juni. Na afloop hiervan zou zij buiten dienst worden gesteld en zou haar bemanning overgaan op de Hr.Ms. Bever die vanaf 20 juni te Vlissingen gestationeerd zou worden. Blijkbaar was de Bever afwezig want op 20 juli meldde de krant dat zij terugkeerde van Hellevoetsluis.
11. Cornelis Fock (30 augustus 1871), in actieve dienst tussen 1889 en 1927, die zijn loopbaan afsloot in de rang van vice-admiral,
12. Takenouchi Heitaro (6 februari 1863-21 december 1933), haar eerste commandant, in actieve dienst tussen 1877 en 1910, die zijn loopbaan afsloot in de rang van admiraal
13. Tanin Yamya (18 april 1866-10 september 1940), in actieve dienst tussen 1886 en 1922, die zijn loopbaan afsloot in de rang van admiraal. Naast actief officier met oorlogservaring ook een marinetheoreticus.
14. Baron Ijuin Goro (29 september 1852-13 januari 1921), in actieve dienst tussen 1871 en 1917, die zijn loopbaan afsloot in de rang van marshal admiral. In een andere editie wordt geschreven dat voor zover bekend niet eerder Japanse oorlogsschepen Vlissingen bezochten. In 1902 hebben Japanse marineofficieren wel België bezocht.
15. Isamu Takeshita (4 december 1869-1 juli 1949), in actieve dienst tussen 1889 en 1929, die zijn loopbaan afsloot in de rang van marshal admiral.
16. Het is verleidelijk om deze Yamamoto te identificeren met Isoroku Yamamoto, geboren als Isoroku Takano (4 april 1884-18 april 1943). Alleen hij accepteerde de adoptienaam Yamamoto pas officieel in 1916. In actieve dienst tussen 1901 en 1943, die zijn loopbaan afsloot in de rang van marshal admiral en opperbevelhebber van de Japanse zeestrijdkrachten tijdens de Tweede Wereldoorlog en verantwoordelijk voor de aanval op Pearl Harbor op 7 december 1941.

woensdag 25 februari 2015

99-jaar oude rij- en nummerbewijzen van Nicolaas van Eekelen weer terug in Vlissingen

Een niet weg te denken verschijning in onze samenleving. Liefkozend en bespottend aangeduid als de heilige koe. We hebben het over de auto. Alsof ie al eeuwen lang rijdt. Bijna elke gezin heeft er wel een of soms zelfs meer. En hebben gezinsleden geen auto dan hebben ze vaak wel al het rijbewijs. En daarover gaat nu dit stukje. Als geboortejaar wordt 1885 genoemd, zij het met voorgangers. In Nederland werd in 1897 voor het eerst een auto gebouwd, namelijk een Eysink. De eerste auto’s leken meer op (open) koetsen, alleen de paarden ontbraken.

Auto’s waren in de beginjaren alleen voor de elite/rijken bestemd, voor de gewone man kwam de doorbraak en de kans op een eigen auto toen de massaproductie op gang kwam. Het beroemde T-fordje is hiervan het voorbeeld.

Al snel werd duidelijk dat met de komst van auto’s en motorrijwielen de veiligheid op straat in het gedrang kwam. Naar goed Nederlands gebruik moest alles in voorschriften worden vastgelegd. In de verkeerswet van 30 december 1916 stond bijvoorbeeld dat je 16 jaar oud moest zijn wilde je motor gaan rijden en 18 jaar voor auto’s. Ook was er al sprake van een vorm van kentekenregistratie. Er werden zogenaamde nummerbewijzen uitgegeven, in de provincie Zeeland werd het nummer afgegaan door de letter ‘K’. Als je de weg opreed, diende je op de auto of motor dat nummer goed zichtbaar (op een donkerblauwe achtergrond) te tonen. Werd je aangehouden door de politie, dan moest de bestuurder rijbewijs en nummerrijbewijs overleggen.

Wanneer de eerste auto Vlissingen aandeed, weten we niet wel wanneer voor het eerst een auto in Vlissingen werd geregistreerd. Dat was in 1898, het vijfde kenteken in de provincie Zeeland. Het mooie is dat in onze beeldcollectie zelfs een foto van deze auto bewaard is gebleven.
Beeldcollectie Gemeentearchief Vlissingen FA 45745
De eerste Vlissingense en de vijfde Zeeuwse auto in 1898, eigenaar P. van Beers, Prinsenboschje K300. Auto is van het Duitse merk Stoewer

Via de heer Marco Neroni kwam een rijbewijs en een nummerrijbewijs, beide afgegeven op 27 januari 1916 aan Nicolaas van Eekelen in ons bezit. Het nummerbewijs geeft jammer genoeg niet aan of het om een auto of om een motor gaat. Wat wel duidelijk is, is dat het aantal gemotoriseerde voertuigen geregistreerd in Zeeland nog steeds vrij laag was, gelet op het nummer K1117. In het bevolkingsregister staat een Van Eekelen vermeld voor 1916. Het gaat om de metaaldraaier [bankwerker] Nicolaas geboren op 3 augustus 1887 in Bergen op Zoom. Op 2 april 1907 vestigt hij zich in Vlissingen komende uit zijn geboortestad. Hij was echter al op 3 September 1906 aangenomen bij de Kon.Mij. De Schelde tegen een uurloon van 14 cent. Het vak heeft hij vermoedelijk geleerd bij S. Neerings&Co. Machinefabriek op Bergen op Zoom. (1) Op 14 september 1910 komt ook Antonetta Louisa Johanna Hoornick vanuit haar geboorteplaats ’s Heerenhoek in Vlissingen wonen. Beiden zijn op 31 augustus dat jaar in haar geboorteplaats getrouwd. Op 10 November 1945 overlijdt Nicolaas in zijn woonplaats Vlissingen. Op 13 december verschijnt in de Provinciale Zeeuwse Courant een advertentie waarin de nabestaanden hun dank betuigen voor alle condoleances, in het bijzonder die van het personeel van de Kon. Mij. De Schelde.
Jammer genoeg is de nummerregistratie van de provincie Zeeland voor zover bekend grotendeels verloren gegaan. Zo kunnen wij (nog) niet aangeven wat de bewuste K1117 was. Nicolaas behoorde niet tot de bourgeoisie van Vlissingen. De eerste gedachten gaan uit naar een motorrijwiel en niet een auto. Ten tijde van de afgifte van de rij- en nummerbewijzen is hij werkzaam als slijper bij de draaierij in de Machinefabriek tegen een uurloon van eerst 29, later dat jaar wordt het uurloon met 2 cent verhoogd. 

Noot
1. Vermoedelijk wordt NV IJzergieterij en Machinefabriek Rogier Nerinckx Richter bedoeld.

dinsdag 13 januari 2015

Vlissingen en de Spaanse Armada van 1588 Een oorlogswimpel vertelt een uniek brokje Zeeuwse maritieme geschiedenis



 Het jaar 1568 staat in de Nederlandse geschiedenis bekend als het begin van de Tachtigjarige Oorlog. Eigenlijk moeten we spreken van een opstand tegen de wettelijke heerser, te weten de Spaanse koning Filips II. Engeland koos de zijde van de opstandelingen. Voor de stad Vlissingen zou dat grote gevolgen hebben want het werd in 1585 samen met onder meer het fort Rammekens in onderpand gegeven aan de Engelse kroon tot in 1616.

In 1588 besluit de Spaanse kroon tot een invasie van Engeland. Een grote vloot bekend als de Spaanse of Onoverwinnelijke Armada werd uitgerust en uitgezonden. De bedoeling was dat generaal Alexander Farnese, hertog van Parma met een troepenmacht de Noordzee zou oversteken en Engeland binnenvallen. Het liep echter anders. De Spaanse vloot werd vernietigend verslagen door de Engelse vloot. Nederlandse schepen onder het commando van Justinus van Nassau droegen hun steentje bij. Twee Spaanse galjoenen strandden bij Vlissingen, namelijk de San Felipe en de San Mateo waarvan de laatste bij fort Rammekens. Uit ooggetuigeverslagen blijkt dat men getracht heeft beide schepen te redden en naar de Vlissingse haven te brengen. Dit is vermoedelijk niet gelukt al is er een intrigerende vermelding over de verkoop van een Spaans galjoen te Vlissingen. Wat resteert van deze gebeurtenissen is een deel van de oorlogswimpel van de San Mateo.
Museum De Lakenhal, Leiden

Prent vervaardigd door Daniël Veelwaard 1776-1851. Objectnummer RP-O-0B-66.606. Rijksmuseum Amsterdam



Scheltema beschreef in 1825 hoe het galjoen van Diego de Piementel werd veroverd door de kleine Zeeuwse dremmelaars of poonschuiten. Hij verhaalde dat een groot galjoen uit Biscaye werd aangevallen door een Zeeuws oorlogsschip en veroverd. Het zonk echter met man en muis vanwege de grote schade opgelopen door het geschutsvuur. De volgende passage uit zijn boek (p. 177-178) verhaalt wat er zich toen afspeelde. ‘Het heeft mij leed gedaan, den naam van den koenen veroveraar niet te hebben kunnen opsporen. Hij was de eenigste held, die het heeft durven wagen, om een galjoen te enteren. Zijn lijk is opgevischt, en met krijgsmans eere en met de Spaansche vlag op de kist, te Vlissingen begraven. De vlag werd in de kerk boven zijn graf gehangen. De twee Portugese galjoenen St. Philippus (1) en St. Matthaeus (2) gingen ook verloren. Francisco de Toledo wist, vergezeld van enkele edellieden, veilig Oostende te bereiken om vervolgens gevangen te worden genomen door de Engelsen. Zijn schip werd veroverd door de Vlissingers. De Piementel commandeerde het tweede galjoen dat tijdens het gevecht zwaar beschadigd werd en gevaar liep te zinken. Een visser die als loods fungeerde, manoeuvreerde [bewust] het galjoen zodanig dat het terecht kwam tussen de zandbanken voor Sluis met zonder uitzicht om te kunnen ontkomen. Het werd aangevallen door Hollandse en Zeeuwse dremmelaars waarbij veertig Spanjaarden sneuvelden. De Spaanse vlag werd gestreken en de De Piementel overgebracht naar het schip van vice admiraal Pieter van der Does. Een poging beide galjoenen naar Vlissingen te brengen mislukte, toen ze vanwege de opgelopen schade zonken. De gewonde overlevenden werden verzorgd en naar Vlaanderen gestuurd. De gezonde overlevenden, circa 150 man, gingen naar Holland om te worden uitgewisseld of tegen betaling van losgeld.

Jan Wagenaar (p. 286-287) schreef in 1792 dat de Spaanse Armada tot de aftocht gedwongen werd toen op 2 September de Engelsen branders inzetten. Verder vermeldde hij dat het galjoen van Don Diego de Piementel geheel reddeloos geschoten was en onder Duinkerken veroverd werd door vice admiraal Van der Does. Het door Van der Does veroverde wimpel werd opgehangen in de kerk te Leiden. De Piementel werd in Den Haag ondervraagd en verklaarde dat de Spaanse aanval was gericht op Engeland en niet gericht op de Lage Landen. Een tweede Spaans schip strandde bij Blankenburg en werd vanuit Oostende geplunderd.

K.J.S. Boston (p. 86) schreef dat de wimpel van het Spaanse galjoen San Mateo door Pieter van der Does (1562-1699) in hetzelfde jaar was meegenomen naar Leiden waar ‘hij toen hij nog in de Pieterskerk hing, van het gewelf tot op de grond reikte’. In de collectie van het Leidse museum De Lakenhal is van de wimpel een restant bewaard gebleven. De wimpel heeft als collectienummer 3186, heeft nu als afmetingen 391 x 294,5cm met als materiaal beschilderd linnen.

Er bestaan ook ooggetuigeverslagen van overlevenden aan Spaanse zijde. Deze zijn deels gepubliceerd in de zogenaamde Calendar of State papers Simancas.

Een bericht d.d. 28 Augustus (Paris Archives, K.1567) vermeldt dat de San Mateo op een zandbank nabij Vlissingen liep bij gebrek aan een goede loods. Ze werd aangevallen door twintig schepen afkomstig uit Vlissingen. Toen duidelijk werd dat het galjoen niet te redden was, capituleerde haar commandant. De zieken en gewonden aan boord werden naar Vlaanderen gebracht, de rest gevangen genomen om losgeld te kunnen eisen. Pimenet werd, bewaakt door vier man, naar Vlissingen gebracht. Volgens hetzelfde bericht telden de aanvallers 300 doden en gewonden in hun lederen.

De hertog van Parma schreef op 29 augustus (Estado 594) aan zijn koning dat volgens ingewonnen informatie de San Mateo naar Vlissingen was opgebracht. Zwaar beschadigd als gevolg van de gevechten zonk zij in de haven. De vijand (lees de Zeeuwen en Hollanders) kregen niet eens de kans van boord te gaan. De San Felipe die ook naar Vlissingen werd gebracht zonk eveneens.

Ook Pedro Coco Calderon (24 September Guerra, 221) beschreef wat er met de twee galjoenen gebeurde. Beide schepen waren zwaar beschadigd tijdens de gevechten. Bij de San Felipe waren vijf van haar kanons aan stuurboordzijde buiten gevecht gesteld. Een Italiaanse kanonnier die later ook sneuvelde, maakte een van haar zware kanons onbruikbaar. Haar bovendek was vernietigd, beide pompen stuk, de tuigage weggeschoten, in feite was het een wrak. Don Francisco de Toledo weigerde zich over te geven. Uiteindelijk werd zij te hulp geschoten door de hulk Doncella. Deze trof de San Felipe in zinkende staat aan en nam 300 van haar opvarenden aan boord. De San Mateo was zo doorzeefd dat ook zij zinkende was. De pompen konden het binnenstromende water niet aan. Ook zij is gedwongen om hulp te vragen waarop het Spaanse vlagschip een duiker zond. Deze was in staat enkele lekken te stoppen. Zowel de San Mateo en de San Felipe raakten achter op en verdwenen uit het zicht van Calderon. Hij wist dan ook niet wat met beide schepen gebeurd is. Het gerucht ging dat zij op de zandbanken verloren gingen.

In 2012 verscheen een door het Zeeuws Archief uitgegeven transcriptie van de resoluties van de gecommitteerde raden van de Zeeuwse Admiraliteit. Diverse keren wordt vermeld dat kanons, afkomstig van Spaanse schepen, worden hergebruikt op Zeeuwse oorlogsschepen. De kanons waren opgeslagen in Vlissingen en de Vlissingse equipagemeester Pieter Willemssen was verantwoordelijk voor de uitgifte.

Voorbeelden van hergebruik zijn bijvoorbeeld het besluit d.d. maandag 22 augustus om vier van de zwaarste kanons plaatsen op het fort van Den Haeck. Op donderdag 22 September moesten twee metalen kanons afkomstig van het Spaanse galjoen worden verstrekt aan kapitein Evert Hendricx voor plaatsing op diens schip. De volgende dag moest Willemsen bovendien ook aan vice admiraal Joos de Moor twee kanons af staan, afkomstig van het Spaanse galjoen welke te Vlissingen was binnengebracht.

Een vermelding is echter intrigerend. Op dinsdag 3 januari 1589 komt een verzoek van de Arnemuidense burger Jan Dirricxzoon Bieselinghe op tafel. Jan verzoekt kwijtschelding van circa 40 pond Vlaams verschuldigd aan de vendumeester Jongeleyns voor de aankoop van het Spaanse galjoen te Vlissingen. Uiteindelijk krijgt hij uitstel van voor een periode van drie maanden. 

For a  summary in English

Bronnen
K.J.S. Boston. Hart voor Leiden. Jan van Hout (1542-1609), stadssecretaris, dichter en vernieuwer, 2009.
José Luis Casado Soto. Los barcos espanoles del sig. XVI y la Gran Armada de 1588.
Quirino da Fonseca. Os porugueses no mar.
Jacobus Scheltema. De uitrusting en ondergang der onoverwinnelijke vloot van Philips den Tweeden Koning van Spanje, in 1588.
J.C.A. Schokkenbroek. ‘Wherefore Serveth Justin with his Shipping of Zeeland?’The Dutch and the Spanish Armada, 1588’ in: God’s Obvious Design. Papers for the Spanish Armada Symposium, Sligo, 1988. ed. Gallager, P. en Cruickshank, D.W.
Jan Wagenaar. Vaderlandsche historie, vervattende de geschiedenissen der nu Vereenigde Nederlanden, inzonderheid die van Holland, van de vroegste tijden af: etc. 8e Deel, 1792.
Calendar of State papers Simancas: August 1588, 26-31 gepubliceerd op www.british-history.ac.uk (BHO-British History Online)
Resolutiën van de Gecommitteerde Raden ter Admiraliteit in Zeeland 1584-1648. Deel 1 1584-1591. Zeeuws Archief, Middelburg, 2012.

Noten
1. Gebouwd 1583. Meting 800 toneladas sueldo/510 toneles machos met als afmetingen 32,50 x 9,70 x 5,17, bewapening 40 kanons en een bemanning van 532 koppen (117 zeelieden en 415 soldaten). Officieren aan boord waren onder meer Juan Poza de Santiso en don Francisco de Toledo. De Portugese galjoenen behoorden tot de beste schepen van de Spaanse Armada.
2. Gebouwd 1580. Meting 600-900 toneladas sueldo/490 toneles machos met als afmetingen 32,07 x 9,57 x 5,10, bewapening 34 kanons en een bemanning van 397 koppen (120 zeelieden en 277 soldaten). Officieren aan boord waren onder meer don Diego Pimentel, don Rodrigo de Vivero en don Luis Vanegas.