Totaal aantal pageviews

vrijdag 10 juni 2016

De Ruyter in beeld: 200 jaar marineschepen genaamd De Ruyter

Op weg naar Vlissingen 22 juni 2016, foto Ron van Maanen

12 juli 2008 Vlootdagen Den Helder, foto Ron van Maanen

Op woensdag 22 juni 2016 zal in de Buitenhaven van Vlissingen het Nederlandse luchtverdedigings- en commandofregat Zr. Ms. De Ruyter (F804) afmeren. Zij keert hiermee terug naar haar geboorteplek waar zij op 1 September 2000 op stapel gezet werd. De Ruyter maakt samen met haar zusterschepen Evertsen, Tromp en De Zeven Provinciën deel uit van de De Zeven Provinciën. Internationaal staan deze schepen in hoog aanzien als het gaat om design en prestaties, waarbij zeker de radarapparatuur van wereldallure is. De stad Vlissingen heeft daarnaast een speciale band met dit fregat, als het ware een vorm van adoptie.

De stad Vlissingen heeft een maritieme geschiedenis die al eeuwen terug gaat en waarvan marineschepen een onlosmakelijk deel van uitmaakten en maken. De Koninklijke Marine bestaat misschien pas 200 jaar, het is de directe opvolger van de uit de 16e eeuw daterende Admiraliteiten. Zeeland had haar eigen admiraliteit met onder meer in Vlissingen een eigen scheepswerf. In 1814 vestigde ook de Koninklijke Marine een nieuwe scheepswerf, deels op het terrein van de oude admiraliteitswerf. Nadat de marinewerf was gesloten, zou in 1875 de Kon. Mij. De Schelde het terrein in gebruik nemen en onder meer marineschepen bouwen.

De Koninklijke Marine kan dus bogen op een rijke en roemvolle geschiedenis en vasthoudend aan tradities vertaalt dit zich ook in het vernoemen van haar schepen. De Zeven Provinciën-klasse is hiervan een mooi voorbeeld door het terugblikken naar de 17e eeuw toen de Republiek der Nederlanden een wereldmacht was en in dezelfde eeuw ook grotendeels in strijd met andere landen als bijvoorbeeld het Verenigd Koningrijk. Uit die tijd dateren roemruchte namen als Evertsen, Tromp en natuurlijk niet te vergeten onze grootste zeeheld, de in Vlissingen geboren De Ruyter. Sinds 1814 zijn diverse schepen De Ruyter gedoopt. Een ander voorbeeld is Karel Doorman, die tijdens de Tweede Wereldoorlog sneuvelde en wiens naam nu het grootste Nederlandse marineschip ooit voert.

Het Gemeentearchief Vlissingen maakt gebruik van het aanstaande bezoek van Zr. Ms. De Ruyter door te duiken in de rijke collecties aan beelden en prenten die zij beheert, om de schepen die sinds 1814 De Ruyter werden genoemd in beeld te brengen.

Linieschip in de tropen

1. Het linieschip van 80 kanons Admiraal de Ruyter dat op 19 november 1808 op de marinewerf te Amsterdam te water werd gelaten. Echt lang dienst heeft het niet gedaan. Oktober 1815 vertrok het naar het toenmalige Nederlands Oost-Indië waar het in 1816 aankwam. Datzelfde jaar werd het al afgekeurd! Als wachtschip van de koloniale marine deed het dienst te Soerabaja om in 1818 gesloopt te worden.

Model Rijksmuseum Amsterdam, Netherlands. Original source

Als fregat met hulpstoomvermogen rond 1862

Als gepantserde stoombatterij in de Dokhaven, tekening Ron van Maanen

2. De tweede De Ruyter is echt een Vlissings schip en een mooi voorbeeld van de technische ontwikkelingen in de 19e eeuw, van zeil naar zeil met hulpstoomvermogen naar alleen stoomvermogen en uiteindelijk zelfs verbouwd tot een gepantserde stoombatterij. Lessen geleerd in de Krimoorlog en de Amerikaanse Burgeroorlog werden toegepast, waarbij de Vlissingense marinewerf met marine-ingenieurs Turk en Tideman een hoofdrol speelde. In 1831 werd zij op stapel gezet als een linieschip van 74 kanons, echter halverwege de bouw geraseerd tot een 50 kanons-fregat (1850) om uiteindelijk in 1853 als zeilfregat 1e klasse te water worden gelaten. Dat heeft niet lang geduurd want in 1860 werd deze De Ruyter verbouwd tot fregat met hulpstoomvermogen. De grote gedaanteverwisseling liet niet lang op zich wachten, want twee jaar later startte de verbouwing tot een drijvende batterij die uiteindelijk uitmondde in een gepantserde versie. Veel plezier heeft de marine van het schip dat de Scheldemonding moest verdedigen niet gehad. In 1874 werd het voor de sloop verkocht.

3. Het schroefstoomschip 1st klasse Zr. Ms. Koningin Emma der Nederlanden werd op 6 november 1876 op de Rijkswerf te Amsterdam als De Ruyter op stapel gezet en op7 januari 1879 herdoopt.

GA Vlissingen 414.25321

4. Het schroefstoomschip 1e klasse Zr. Ms. De Ruyter was opnieuw een Amsterdamse aangelegenheid. Op 7 januari 1879 op stapel gezet op de Rijkswerf aldaar, te water gelaten op 22 september 1880 werd zij op 1 mei 1885 in dienst gesteld. In 1900 werd het schip voor de sloop verkocht.

Gemeentearchief Vlissingen 413.57871

5. De vierde De Ruyter werd opgevolgd door een pantserschip, op stapel gezet op 12 mei 1900 bij de maatschappij voor scheeps- en werktuigkundebouw Fijenoord te Rotterdam en deed onder meer dienst in Nederlands Oost-Indië om uiteindelijk in 1924 voor de sloop te worden verkocht.

tekening Alexander Mari van Maanen

Foto gemaakt 23 oktober 1926
Gemeentearchief Vlissingen Collectie Kon. Mij. De Schelde 513.1625.

6. Met de zesde De Ruyter is eindelijk weer de Vlissingse scheepsbouw in beeld. Op 28 augustus 1925 wordt bij de Kon. Mij. De Schelde een torpedobootjager uit de zogenaamde Admiralen-klasse op stapel gezet die de naam De Ruyter krijgt. Zij het niet voor lang. Want als begonnen wordt met misschien wel de meest bekendste De Ruyter sinds 1814, namelijk de lichte kruiser, krijgt op 1 oktober 1934 de torpedobootjager de nieuwe naam Van Ghent. Eigenlijk wordt daarmee een ander draadje met de Vlissingese geschiedenis opnieuw verbonden. Van Ghent was namelijk de eerste commandant van het zogenaamde Regiment de Marine, het huidige Korps Mariniers. Dit schip liep op 15 februari 1942 op een rif van het eiland Bamidjo, Nederlands Oost-Indië en moest worden verlaten door haar bemanning. Deze stak haar in brand om te voorkomen dat Japan het in bezit kon nemen. Japanse bommenwerpers bombardeerden het wrak overigens nog dezelfde dag.

Gemeentearchief Vlissingen 413.14846. Foto Dert

Twee van de zes waterpijpketels gemaakt bij de Kon. Mij. De Schelde
Gemeentearchief Vlissingen. Collectie Kon. Mij. De Schelde 513.3100

Tandwieloverbrenging gemaakt bij de Kon. Mij. De Schelde
Gemeentearchief Vlissingen. Collectie Kon. Mij. De Schelde 513.2847

7. De lichte kruiser De Ruyter werd niet gebouwd in Vlissingen, maar bij Wilton Fijenoord. Het is jammer dat de opdracht niet naar De Kon. Mij. De Schelde ging. Maar vanuit Vlissingen werden wel onder meer de waterpijpketels en de tandwieloverbrenging geleverd. En ja, zonder voortstuwing kom je niet ver. Het was dit schip dat op 27 februari 1942 ten onder ging in de slag in de Javazee waarbij een geallieerd eskader het zonder succes opnam tegen de Japanse vloot. Op dat moment was schout-bij-nacht Karel Doorman opperbevelhebber van het geallieerde eskader en deed de De Ruyter dienst als zijn vlagschip.  Hij ging samen met zijn schip ten onder, van haar bemanning verloren 345 man het leven. Na de Tweede Wereldoorlog werd de naam Karel Doorman door de Koninklijke Marine tot vier keer toe aan een marineschip gegeven, onder meer het joint support schip dat gebouwd werd onder auspiciën van Damen Schelde Naval Shipbuilding te Vlissingen.


Anno 1953, tekening Alexander Mari van Maanen

Als de Almirante Grau in 2010, tekening Alexander Mari van Maanen

A.G. Mes. Gemeentearchief Vlissingen 414.4422

A.G. Mes. Gemeentearchief Vlissingen 414.4423

8. De achtste De Ruyter, opnieuw een lichte kruiser, zou een voorbeeld worden van het hoge niveau van de Nederlandse scheepsbouw. De romp werd al op 5 september 1939 op stapel gezet, maar vanwege de Tweede Wereldoorlog werd het schip pas op 18 november 1953 in dienst gesteld. Aanvankelijk zou ze De Zeven Provinciën worden gedoopt, maar deze naam werd aan haar zusterschip gegeven. Na zo’n 20 jaar dienst werd besloten dat beide kruisers niet meer geschikt waren voor de Nederlandse (marine) eisen en De Ruyter uit dienst werd gesteld en op 13 oktober 1972 werd verkocht aan Peru. In dienst gesteld als de Almirante Grau in 1973 is zij nog steeds in actieve dienst. Sterker nog het is de laatste in actieve dienst zijnde zogenaamde 'gun-cruiser' ter wereld. Met gun-cruiser wordt een kruiser bedoeld waarvan de hoofdbewapening (in haar geval 12cm kanons) bestaat. Zij wordt nog geregeld gemoderniseerd en staat ondanks een romp van respectabele leeftijd (bijna 80 jaar) nog steeds haar mannetje.

Gemeentearchief Vlissingen. Collectie Kon. Mij. De Schelde KMS 80050

Brughuis met koepel, foto Ron van Maanen

De koepel van binnen, foto Ron van Maanen

9. Doordat de Koninklijke Marine afscheid moest nemen van haar twee grootste oppervlakte eenheden was vervanging een noodzaak geworden. Al in de zestiger jaren was samen het Verenigd Koninkrijk begonnen aan de ontwikkeling van een nieuw fregat. Beide landen sloegen uiteindelijk een eigen weg in. Voor Nederland betekende dat de ontwikkeling van het geleide wapenfregat waarvan er twee zouden worden gebouwd, te weten De Ruyter en de Tromp. De Ruyter werd gebouwd in een bouwloods, iets wat in Nederland voor de bouw van oorlogsschepen nauwelijks werd gedaan. Op 22 december 1971 werd zij op stapel gezet om op 3 juni 1976 in dienst te worden gesteld. De opzet was dat zij als vlagschip dienst deed van een Nederlandse onderzeebootbestrijdingsgroep. In 1980 voer deze De Ruyter de Thames op en voer onder de Tower bridge door om af te meren langs de British kruiser HMS Belfast. Misschien een herhaling van de tocht naar Chatham in 1667? In ieder geval trok haar aankomst in London veel aandacht. Bij de viering van 300e jaar geboortedag van De Ruyter in 2007 nam de Britse Marine met de typisch onderkoelde Britse humor wraak door de HMS Chatham te sturen.  Op 3 oktober 2001 werd deze De Ruyter uit dienst gesteld. De geleide wapenfregatten trokken met hun ontwerp en prestaties internationaal de aandacht, zeker gelet op de grote radarkoepel bovenop de brug. Deze metershoge bol diende ter bescherming van de 3D-radar, De koepel had ook een bijnaam namelijk Kojak (bol). De naam Kojak refereert aan de Amerikaanse tv acteur Teddy Savalas die in 1973-1978 een politie-inspecteur speelde en zijn hoofd kaal schoor als een biljartbal. Brughuis met koepel zijn bewaard gebleven en tegenwoordig opengesteld voor het publiek op het terrein van de voormalig Rijkswerf te Den Helder.

12 juli 2008 Vlootdagen Den Helder, foto Ron van Maanen

12 juli 2008 Vlootdagen Den Helder, foto Ron van Maanen

10. Ook de tiende De Ruyter is weer een Vlissings product. In september 2000 werd de bouw begonnen door de Koninklijke Schelde Groep BV (het huidige Damen Schelde Naval Shipbuilding). In dienst gesteld op 22 april 2004 zou het eerste fregat binnen de Koninklijke Marine worden met een vrouwelijk commandant, namelijk Jeanette Morang. Het schip deed onder meer dienst in de Golf van Aden voor de bestrijding van artillerie.

Op weg naar Vlissingen 22 juni, op de achtergrond Breskens zichtbaar, foto Ron van Maanen
Op weg naar Vlissingen 22 juni, op de achtergrond Breskens zichtbaar, foto Ron van Maanen

dinsdag 26 april 2016

Bruno Joannes Tideman en zijn Memoriaal van de Marine uit 1876-1880


Inleiding
Tussen 1876-1880 verscheen een standaardwerk over de Nederlandse scheepsbouw dat bij het grote publiek niet tot nauwelijks bekend is. Voor iedereen geïnteresseerd in de industriële geschiedenis in het algemeen en in de maritieme geschiedenis in het bijzonder is dit Memoriaal van de Marine een absolute ‘must’. Omdat, voor zover bekend, slechts enkele exemplaren beschikbaar zijn bij musea en aanverwante culturele instellingen heeft het Gemeentearchief Vlissingen gemeend het boek te moeten digitaliseren en beschikbaar te stellen via Open Cultuur Data. Drie van de in het Memoriaal beschreven schepen namelijk de Buffel in Hellevoetsluis, de ook in Vlissingen bekende Schorpioen en de Bonaire, beide in Den Helder,  bestaan tot op de dag vandaag!

De Bonaire te Den Helder anno 2007

De Buffel, te Rotterdam op 23 december 2013, tegenwoordig te Hellevoetsluis

De Schorpioen te Den Den Helder

De auteur
Bruno Joannes Tideman (1834-1883) was de belangrijkste Nederlandse 19e eeuwse marine-ingenieur. Net als zijn collega's bezocht hij buitenlandse marines en werven en voerde een uitvoerige correspondentie om de ontwikkelingen in het vak scheepsbouw bij te houden. In tegenstelling tot vaak wordt gedacht, werd binnen de Koninklijke Marine wel degelijk gekeken naar wat elders gebeurde en weliswaar- soms met jaren vertraging- ook hier doorgevoerd. Tideman was én iemand uit de praktijk én iemand die scheepsbouw vanuit een wetenschappelijke invalshoek benaderde.Tideman nam ook proeven met modellen om zo optimale rompvormen te ontwerpen. Vandaag de dag wordt dat nog steeds gedaan.

Loopbaan bij de Koninklijke Marine
Tideman begon zijn loopbaan op de marinewerf in Vlissingen in 1857. Deze marinewerf is ondanks haar relatief korte bestaan (1814-1867) van groot belang geweest voor de introductie van nieuwe technieken in de marine. Nagenoeg alle marine ingenieurs zijn hier werkzaam geweest. Tidemans voorganger Turk als directeur scheepsbouw verbonden aan het ministerie van marine te ¿s-Gravenhage verbleef het grootste deel van zijn tijd te Vlissingen en voerde van hieruit zijn correspondentie met de andere marinewerven en het ministerie. Tideman trachtte, toen duidelijk werd dat de Vlissingse werf gesloten werd, hier een nieuw groot modern scheepsbouwbedrijf op te richten. Dit lukte echter niet. Pas toen koning Willem III zich ermee bemoeide, kwam er schot in de zaak. Dit resulteerde in de oprichting van de Kon. Mij. De Schelde in 1875 met Arie Smit als handelend vennoot. Tideman speelde hierbij een niet te onderschatten rol. De eerste chef afdeling scheepsbouw bij De Schelde Jacob Janszen Jr. was een bekende van hem.

Internationale ontwikkelingen in de scheepsbouw
In de 19e eeuw schakelden de marines over van houten schepen naar stalen-ijzeren schepen, van zeil- naar stoomvoortstuwing, werden panterschepen de voorlopers van de slagschepen uit beide wereldoorlogen gebouwd, kwam het torpedowapen op en werd geëxperimenteerd met de eerste onderzeeboten. In de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) werden deze nieuwe wapens `uitgetest¿. Nederlandse marineofficieren en ¿ingenieurs volgden dit nauwgezet en adviseerden de minister van marine om ook tot aanschaf c.q. introductie over te gaan. De Nederlandse scheepsbouw was nog niet in staat om pantserschepen e.d. te bouwen. In augustus 1865 werd de kiel gelegd van het eerste Nederlandse pantserschip Zr.Ms. Prins Hendrik der Nederlanden bij Laird&Sons, Birkenhead, Engeland. Tideman was namens de marine belast met het toezicht tijdens de bouw. Binnen enkele jaren volgden meer opdrachten, opnieuw in Engeland maar ook in Frankrijk. Twee van deze schepen namelijk de Buffel en de Schorpioen bestaan vandaag de dag nog. In Nederland stond men niet stil want in 1867 werd het eerste pantserschip, de later Guinea, op stapel gezet op de Rijkswerf in Amsterdam. Werden de eerste torpedoboten nog in Engeland gebouwd, binnen enkele jaren werden zij ook op Nederlandse werven, waaronder de Kon. Mij. De Schelde gebouwd.

Het Memoriaal van de Marine
Tegen deze achtergrond moet het magnus opum van Tideman worden gezien. Het geeft een meer dan uitstekende indruk van wat er op dat moment bekend was aan materiaalsoorten, theoretische berekeningen, bouwkosten etc. Verder wordt ook veel historische informatie verstrekt.

De Samarang

Tideman schreef in november 1880 te zijn afgeweken van de oorspronkelijk opzet uit 1876. In de livretten B en C moest aandacht worden besteed aan kruisers (lees schroefstoomschepen met nog steeds zeilen) kleiner dan de 1e klasse kruisers van de Atjeh-klasse (Livret A) maar groter dan de Samarang-klasse (Livret D). Men ging er in 1876 nog van uit dat binnen vier jaar dergelijke schepen zouden worden ontworpen. Dit vond echter niet plaats en de minister van marine gaf geen toestemming een aantal projecten van deze tussenklassen in het Memoriaal op te nemen. Beide Livretten zouden pas worden ingevuld als de schepen ook daadwerkelijk waren gebouwd. Voor oudere typen als Zr.Ms. Zilveren Kruis was geen plaats, want die zouden toch binnen afzienbare tijd uit dienst worden genomen. In de praktijk zijn beide Livretten op een geheel andere wijze ingevuld, namelijk met overzichten van schepen in dienst bij de Koninklijke Marine en de Indische Militaire Marine en schepen van buitenlandse marines. 


In de landelijke krant Algemeen Handelsblad gedateerd 13 februari 1876 verscheen een advertentie waarin de eerste aflevering werd aangekondigd. De Kon. Mij. De Schelde had een compleet exemplaar in haar eigen bibliotheek. Dit exemplaar is volledig gedigitaliseerd en opgenomen in deze toegang. Het origineel is in redelijke staat maar heeft wel te lijden van verzuring.

Tideman heeft meerdere publicaties op zijn naam staan waaronder Over de snelheid van stoomschepen en het berekenen daarvan (1862), Het maritiem etablissement te Vlissingen (1865) en De levensvatbaarheid eener fabriek van stoom- en andere werktuigen, fabriekswerf enz. Te Amsterdam, 1870. Voor meer informatie over zijn leven is de biografie Dr. B.J. Tideman 1834-1883 Grondlegger van de Moderne Scheepsbouw in Nederland geschreven door J.M. Dirkzwager in 1970 een aanrader.

Via deze link Memoriaal van de Marine komt u direct bij het digitale boek uit en waarbij via de knop inventaris u het gehele boek kan inzien.. 

maandag 31 augustus 2015

Russisch zeilschip Shtandart gedokt in het Dokje van Perry in 27-31 augustus 2015: een fotorapportage

Afgelopen dagen vond in Vlissingen het maritieme event Vlissingen Maritiem 2015 (28-30 augustus) plaats. Naast een aantal historische sleepboten en vissersschepen waren ook een aantal bijzondere gasten te bewonderen. De Koninklijke marine stuurde haar mijnenjager Zr. Ms. Urk, het Loodswezen de tender Polaris, er lag een historische reddingsboot en twee Russische zeilschepen. Rechtstreeks vanaf Sail Amsterdam kwam het grote zeilschip Mir, afgemeerd tegenover de Timmerfabriek en in het dokje van Perry kwam de Shtandart te liggen. Nu is de Shtandart geen onbekende voor Vlissingen. In augustus 2013 was zij hier ook al te bewonderen. Alleen kwam zij nu te liggen in het Dokje van Perry. Dit dokje werd in 1974 gedempt maar werd een aantal jaren geleden opnieuw uitgegraven en in oude glorie hersteld. Het is dit de tweede keer dat hierin een schip komt te liggen, zij het nog steeds in een met water gevuld dok.

Alexander van Maanen

De Shtandart is een exacte replica van het gelijknamige fregat waarvan op 24 april 1703 op de Olonestky scheepswerf nabij Olonets, Rusland de kiel werd gelegd door de Nederlandse scheepstimmerman Wybe Gerens. De opdracht tot de bouw werd gegeven door de bekende Russische tsaar Peter de Grote. Nu weten de meeste Nederlanders wel dat deze tsaar ook Nederland heeft bezocht en hier zelfs op een scheepswerf heeft gewerkt. Maar weet men ook dat Peter ook Vlissingen heeft bezocht? Weliswaar slechts een kort bezoek maar toch. In 1717 komt hij hier per schip aan. Vermoedelijk is dit schip via de niet meer bestaande toegang naar de Schelde de stad ingevaren en via de Marinesluis aangemeerd in de Dokhaven. Het Dokje van Perry was toen al aangelegd. In dezelfde Dokhaven werden in de tweede helft van de 20e eeuw diverse visfabrieksschepen door de Kon. Mij. De Schelde voor de Sovjet Unie gebouwd. Maar er is nog een relatie tussen het dokje waarin de Shtandart werd gedokt en Rusland. De ontwerper van het dokje, de voormalige Engelse marineofficier John Perry vertrok na zijn werkzaamheden in Vlissingen naar St. Petersburg waar hij betrokken was bij de aanleg van scheepswerven en dokken.

Terugkomend op Vlissingen Maritiem 2015. Op donderdag 27 augustus kwam de Shtandart in Vlissingen aan. Inmiddels waren de nodige werkzaamheden al getroffen om het feitelijke dokken mogelijk te maken. De sleepboot Hermes trok de dokdeur (bateau porte) uit de sponningen. Deze schipdeur kan drijven en werd naast de kade afgemeerd. Hierdoor was de waterstand in het dokje gelijk aan dat in de Dokhaven. Bestuursleden van de Stichting Maritiem Erfgoed Vlissingen waren tegelijkertijd bezig alles gereed te leggen voor het feitelijke afmeren. Om vier bolders werden zeg maar trossen gehangen waaraan stalen kabels werden bevestigd. Verder lagen aan weerszijden van het dokje gangways gereed. Gangways zijn loopplanken voorzien van touwen voor de nodige houvast.


Op maandag 31 augustus vond het uitdokken plaats. Rond 08.00 klonk aan boord van de Shtandart de scheepsbel, het signaal voor haar bemanning dat het aan de slag moest. Een bemanningslid klom de hoge mast in. De sleepboot Hermes werd aan de dokdeur vastgemaakt met trossen.Tegelijkertijd werd overlegd met de bemanning van de Shtandart over de volgorde dat de landvasten moesten worden losgemaakt. Als de dokdeur eruit is getrokken en alle landvasten zijn verwijderd, kan het schip het dokje achterwaarts verlaten. In een soepele boog draait het op de eigen motor, bijgestaan door een dinghy die als boegschroef dient, de Dokhaven in. Om 18.45 passeert het schip de uitkijktoren van het Arsenaal op weg naar haar bestemming: Poole, Engeland. De achterblijvers ruimen alles op. De Hermes duwt nu de dokdeur in de sponningen en de kabels e.d. worden weer opgeborgen in het pompgebouwtje.

 





Het gemeentearchief Vlissingen is het (historische) geheugen van de stad Vlissingen. Het bewaart de papieren en digitale stadsgeschiedenis voor nu en voor de toekomst. Naast ontelbaar veel papieren documenten bezit het gemeentearchief ook een omvangrijke collectie beeldmateriaal waaronder tienduizenden foto's vanaf eind negentiende eeuw tot vandaag de dag. Foto's gemaakt door professionele maar ook door amateurfotografen.Veel van deze foto's zijn al beschreven en gedigitaliseerd en via de website van het Gemeentearchief Vlissingen te zien. In de komende jaren zal de beeldcollectie grootschalig worden uitgebreid. Naast de gemeentelijke archieven beheert het gemeentearchief ook het omvanrijke archief van de Kon. Mij. De Schelde 1875-1970, een bij uitstek maritiem historische bron die onmisbaar is voor het beschrijven van de stadsgeschiedenis. Naast tienduizende foto's bevat dit Scheldearchief ook duizenden tekeningen van schepen, machines, ketels en soms kunstwerken. Een deel (namelijk de Machinefabriek)  is gedigitaliseerd en via het internet toegankelijk gemaakt voor het grote publiek. 

vrijdag 12 juni 2015

Onderzeebootbouw in Vlissingen tussen 1904 en 1940

Verleden week maakte minister van Defensie bekend dat de huidige Walrus-klasse onderzeeboten in 2025 zijn afgeschreven en dan plaats moeten maken voor hun opvolgers.(1) Op het moment zijn een Nederlands-Zweeds consortium (DSNS-Saab) en verder scheepswerven in Duitsland en Frankrijk geïnteresseerd in het binnenhalen van deze miljardenorder. In eerste instantie werd aan vier onderzeeboten gedacht, nu is ook het aantal van zes genoemd.

Gisteren (donderdag 18 juni) vond in het hoofdkantoor van Damen Schelde Naval Shipbuilding (DSNS) de officiële opening plaats van de expositie over onderzeebootbouw in Vlissingen. De opening werd verricht door oud-onderzeebootcommandant en premier Piet de Jong. Onderzeebootbouw is geen onbekend iets in Vlissingen. Voor de Tweede Wereldoorlog was de Kon.Mij. De Schelde hofleverancier van onderzeeboten aan de Koninklijke Marine. Sterker nog de eerste Nederlandse onderzeeboot de O1 werd hier gebouwd en ook de Onderzeedienst werd in Vlissingen opgericht.

Een expositie staat er niet zomaar. Naast het vooraf selecteren van de foto's en de bijbehorende gegevens, worden de foto's afgedrukt en geplakt op polyplaat, de tekstbordjes en passe-partouts voor tekeningen gemaakt en een catalogus geschreven. En dan moet alles op panelen worden geplakt, scheefhangen is uit den boze dus dat betekent aan de slag met duimstok en winkelhaak.

Uitmeten en plakken

Het plaatsen van de diverse modellen, een secuur karweitje

Een blik van bovenaf, zichtbaar een deel van de panelen en de meubels met modellen

De Franse schrijver Jules Verne (1828-1905) publiceert in 1869-1870 zijn 20.000 mijlen onder zee waarin het grote publiek kennis kon maken met de avonturen van kapitein Nemo en zijn Nautilus. Onderzeeboten waren op het moment van het verschijnen van zijn boek geen onbekend fenomeen, maar er waren maar weinig mensen die in de praktijk een dergelijk onderzees monster hadden gezien. Toch waren ze in de net afgelopen Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) al ingezet waarbij de USS Housatonic tot zinken gebracht werd. De Housatonic heeft de illustere roem het eerste oorlogsschip tot zinken gebracht door een onderzeeboot te zijn. Al eeuwen lang dromen mensen van schepen die onder water kunnen varen. Nederlanders als Cornelis Drebbel (1572-1633) hebben hierbij een rol gespeeld. Drebbel experimenteerde tussen 1620 en 1624 in Engeland. In 1620 bleef zijn model zelfs drie uur onder water in de Thames onderweg van de Londense Tower naar Greenwich.

In de 19e eeuw ontwierpen Antoine Lipkens (1782-1847) en de marineofficier Olke Uhlenbeck (1810-1833) een onderzeeboot met een bemanning van 5 koppen. De Koninklijke Marine nam echter het ontwerp niet over en het is nooit gerealiseerd. Wat resteert is een model in het Rijksmuseum te Amsterdam.

Het onderzeebootontwerp van Antoine Lipkens en Olke Uhlenbeck 1835-1840
Rijksmuseum Amsterdam, Netherlands object NG-MC-1156 Original url

Vanuit de Koninklijke Marine en het toenmalige Departement van Marine was men in het laatste kwart van de negentiende eeuw passief geïnteresseerd in onderzeeboten. Op een aanbod om bijvoorbeeld in Zweden aanwezig te zijn bij de bouw reageerde de minister afwijzend. Wel vroeg hij om na afloop documentatie toe te sturen. In 1899 werd de minister actiever door zijn ambtscollega van buitenlandse zaken in te schakelen om meer informatie te verkrijgen over de door John Philip Holland (1840-1914) ontworpen onderzeeboot te leveren, via de Electric Boat Company. Twee jaar werden zelfs Nederlandse marineofficieren naar de Verenigde Staten voor dit doel gestuurd. Dit alles leverde echter niets op. Er was een andere ontwikkeling gaande die resulteerde in onderzeebootbouw in Vlissingen. De Kon.Mij. De Schelde raakte geïnteresseerd en trachtte tevergeefs zelfs ontwerper Holland in dienst te nemen. Men kreeg toestemming de Holland 7P in licentie te gaan bouwen. Dit werd de Luctor et Emergo die zonder een officiële toezegging van de Koninklijke Marine werd gebouwd. Dat ging echter niet zonder slag of stoot. De eerste tests mislukten totaal ondanks de aanwezigheid van Amerikaanse experts. Het was de Nederlandse marineofficier Paul Koster die er in slaagde van de Luctor et Emergo een succes te maken. Op 21 december 1906 werd zij als de Hr.Ms. O in dienst gesteld bij de Koninklijke Marine. Dit betekende tevens de oprichting van de Onderzeedienst. De Schelde werd de voornaamste leverancier van onderzeeboten aan de Koninklijke Marine. Het had anders kunnen lopen want de Schiedamse werf Gusto had in 1906 ook een onderzeebootafdeling met aan het hoofd de ervaren Franse ingenieur Maxime Laubeuf opgericht. Daar kwam de onderzeebootbouw echter niet van de grond.

De O1 in het Dokje van Perry in juli 1905 (GAV FA529)

De Kon.Mij. De Schelde bleef in de daaropvolgende jaren voortborduren op het Electric Boat Company ontwerp dat echter continue werd aangepast. Ook de Engelse firma Whitehead, onder meer leverancier van torpedo’s, speelde hierbij een grote rol. Whitehead richtte in Fiume (tegenwoordig Rijeka, Croatia) een fabriek op voor de bouw van onderzeeboten. Paul Koster verliet de marinedienst en werd als directeur benoemd. En passant nam hij een deel van het personeel van de De Schelde mee, vermoedelijk allen betrokken geweest bij de bouw van de O 1 ! Tussen 1906 en 1913 werkten diverse Nederlanders daar onder meer aan de bouw van onderzeeboten voor de Oostenrijkse marine. Koster speelde een dubbelrol, want hij trachtte voor de De Schelde ook orders binnen te slepen voor de Scandinavische landen. België en in 1912 voor Oostenrijk. Dat laatste is opvallend want in Fiume waar hij directeur was, werd juist voor Oostenrijk gebouwd. Overigens wees De Schelde deze opdracht van de hand. De Schotse ingenieur Marley Fotheringham Hay, aanvankelijk in dienst bij de Electric Boat Company, was van groot belang bij de doorontwikkeling van het eerste onderzeeboot concept. Hij is naast Den Haag ook woonachtig geweest in Vlissingen waar op 21 november 1906 zijn zoon John Liston werd geboren. Op zijn naam staan diverse octrooien en hij was aanwezig tijdens de bouw van diverse onderzeeboten op de Vlissingse werf. In 1917 verscheen zijn standaardwerk getiteld “Secrets of the Submarine.”


Impressie van de Schelde-Gunning onderzeeboot (RvM)

Proefopstelling op de mallenzolder maart 1930 (GAV KMS T513.2215)

Naast het bouwen voor rekening van de ministeries van Marine (de O-klasse) en Koloniën (de K-klasse) oriënteerde De Schelde zich ook op de internationale markt. Hiervoor werd ook een eigen ontwerp gemaakt, namelijk de Schelde-Gunning onderzeeboot mijnenlegger waarvoor internationaal octrooien werden verkregen tussen 1929 en 1934.(2) Dit onderwerp kwam echter nooit verder dan de tekentafel. Besprekingen met een Parijse firma voor in licentie bouwen en levering aan bijvoorbeeld Portugal en Noorwegen liepen op niets uit. Wat resteert zijn onder meer een brochure en een enkele foto van een op ware schaal nagebouwd halfmodel. In 1933-1934 was De Schelde in gesprek met Brazilië voor de bouw van onderzeeboot mijnenleggers echter niet op basis van het eigen ontwerp maar dat van het Ingenieurskantoor voor Scheepsbouw NV (INKAVOS).

O13 gereed voor de tewaterlating (GAV KMS T513.1875 gedateerd 18-04-1931)

Het totale onderzeebootprogramma, gerealiseerd door De Schelde bevat dan ook ‘slechts’ een onderzeeboot voor buitenlandse rekening, namelijk de Orzel voor Polen. Dit zegt niets over de kwaliteit van de werf die zich staande moest houden in een periode waarin men kampte met een wereldomvattende economische crisis en hevige concurrentie van andere scheepswerven. Voor de Koninklijke Marine werden onder meer de O13 en de O21 gerealiseerd. Daar waar de O13 verloren ging met man en muis en tot op vandaag de dag nog steeds vermist is, was de O21 een van de meest succesvolle Nederlandse onderzeeboten tijdens de Tweede Wereldoorlog. Na afloop van dezelfde oorlog was de Onderzeedienst tot een minimum teruggebracht. De meeste vooroorlogse onderzeeboten waren of verloren gegaan of uit dienst gesteld of nagenoeg opgevaren. In de jaren twintig begon de Koninklijke Marine zelf haar onderzeeboten te ontwerpen. Als men na de Tweede Wereldoorlog deze wijze van werken wilt voortzetten, ontstaat een ‘strijd’ met bovengenoemd NEVESBU. Er is een hevige discussie over de vorm van de onderzeeboot te weten het traditionele model contra het 3-cylinder concept. Uiteindelijk kiest men voor het laatste concept. De Schelde is intensief betrokken bij de ontwikkeling al worden in Vlissingen geen onderzeeboten meer gebouwd.

Noten
1. In de spreektaal worden de termen duikboot en onderzeeboot door elkaar heen gebruikt. De duikboot is in feite de voorganger van de onderzeeboot. Weliswaar kan een duikboot onder water varen, maar in principe deed hij dienst aan de oppervlakte. De bewapening uit kanons en mitrailleurs naast de torpedobuizen wijst hier ook op. Aan de oppervlakte was de snelheid ook veel hoger dan onder water. Men ging onder water voor een aanval of om te ontsnappen wanneer men zelf werd aangevallen. De omslag kwam toen het technisch mogelijk werd gedurende langere tijd onder water te blijven. Dit onder meer dankzij de uitvinding van de zogenaamde snuiverinstallatie.
2. Maximiliaan Frederik Gunning (1895-1972), een scheepsbouwkundig ingenieur aanvankelijk in dienst van de Koninklijke Marine als hoofd tekenkamer bureau scheepsbouw. In 1926 werd hij benoemd tot hoofd afdeling marinescheepsbouw De Schelde. In 1935 werd mede dankzij zijn inspanningen de N.V. Verenigde Scheepsbouw-bureaux (NEVESBU) te ‘s-Gravenhageopgericht. Gunning werd hiervan directeur. NEVESBU waarin de belangrijkste Nederlandse scheepswerven waren verenigd speelde een belangrijke rol bij de verwerving van marineopdrachten inclusief de aanbouw van twee Poolse onderzeeboten waaronder de Orzel. In latere jaren was hij de grote man achter het zogenaamde 3-cylinder ontwerp. Ondanks dat dit een goed ontwerp was, zijn onderzeeboten van dit type alleen voor de Koninklijke Marine gebouwd. 

De expositie is tot en met 29 juli 2015 geopend op de woensdagmiddagen tussen 13.00 en 17.00 uur op het bezoekadres Glacisstraat 165 te Vlissingen.